H Pieter Springer, nabestaande van de Copernicusramp en spreker tijdens het middagprogramma, bij een speciaal voor deze herdenking gemaakte tentoonstelling. (Foto: Arie Wapenaar)
H Pieter Springer, nabestaande van de Copernicusramp en spreker tijdens het middagprogramma, bij een speciaal voor deze herdenking gemaakte tentoonstelling. (Foto: Arie Wapenaar) ARIE WAPENAAR FOTOJOURNALIS

De Vlaardingse haringvisserij werd eeuwenlang gedragen door gastarbeiders…

Algemeen

VLAARDINGEN – In de Grote Kerk en bij het Vissersmonument aan de Koningin Wilhelminahaven vond vrijdag 22 mei de jaarlijkse herdenking plaats van de Vlaardingse vissers die op zee zijn gebleven. Dit jaar stond de indrukwekkende plechtigheid in het teken van de ondergang van de stoomlogger VL 46 ‘Copernicus’, 100 jaar geleden. Daarbij vonden veertien mannen de dood in de golven. Drie jongens konden worden gered. In dezelfde storm van 10 oktober 1926 vergingen ook de zeilloggers VL 213 ‘Theodoor’, KW 152 ‘Agatha Maria’ en KW 148 ‘Arie’. Daarbij kwamen 38 vissers om. Maritiem historicus Frits Loomeijer was gevraagd om deze ramp in historisch perspectief te plaatsen. Hier volgt de kern van zijn lezing.

Een stormnacht op de Noordzee zoals die op 10 oktober 1926, leidde in die tijd vrijwel altijd tot schipbreuk. De zeewaardigheid van de schepen, de betrouwbaarheid van de voortstuwing – stoom, motor of zeil – en de hulpmiddelen voor een veilige navigatie waren op geen enkele manier te vergelijken met de praktijk van tegenwoordig. Het aantal doden op de visserij door overboord slaan en het vergaan van schip en bemanning, bedroeg voor de Eerste Wereldoorlog gemiddeld 20 tot 60 per jaar! Tijdens die oorlog lieten maar liefst ruim 900 vissers het leven op zee. 

De rampnacht van 1926 maakte weliswaar een diepe indruk, maar het leidde op geen enkele manier tot discussie over de veiligheid op de visserij. Het hoorde erbij, zoals wij vandaag de dag het aantal verkeersslachtoffers – rond de 750 per jaar! – diep betreuren, maar tegelijkertijd accepteren als een risico dat onvermijdelijk hoort bij onze manier van leven. 

Over de ondergang van de vier loggers en 52 slachtoffers werd in de kranten van die tijd nog een week lang bericht, daarna hernam het leven weer zijn normale loop. Behalve voor de nabestaanden van de overledenen, vanzelfsprekend.


Historicus Frits Loomeijer spreekt bij het vissersmonument aan de Koningin Wilhelminahaven voor de Marker genodigden en Vlaardingse belangstellenden, waaronder de locoburgemeester. (Foto: Arie Wapenaar)

Gastarbeiders
Zeven opvarenden van de ‘Copernicus’ kwamen van Marken en daarom werd de herdenking dit jaar bijgewoond door circa honderd Markers, waaronder een aantal nazaten van de bemanningsleden van toen. Waarom voeren er Zuiderzeevissers op de Vlaardingse loggers? Was dat, omdat in 1926 de afsluiting van de Zuiderzee aanstaande was en deze vissers alvast uitweken naar een andere vorm van broodwinning?

De geschiedenis van dezer arbeidsmigratie gaat veel verder terug. Al in de achttiende eeuw kwamen de Vlaardingse reders bemanning tekort in eigen stad. Tegen de tijd dat de teelt begon kwamen Duitsers uit Westfalen, vooral uit Münsterland, naar Vlaardingen om tot in december op de vloot te werken. Tot na het midden van de negentiende eeuw bleef de Vlaardingse vloot afhankelijk van deze gastarbeiders. 

Zuiderzeevissers
Een nieuwe bloeiperiode in de Nederlandse haringvisserij, vanaf eind negentiende eeuw, viel samen met sterk fluctuerende jaren op de Zuiderzee. Vanaf circa 1895 zet daar een neergang in. Dat leidt ertoe dat Zuiderzeevissers, met Markers aanvankelijk op de eerste plaats, hun heil zoeken in seizoenarbeid op de loggers. Niet alleen in Vlaardingen, maar in mindere mate ook in Scheveningen en Katwijk. In 1900 varen er 202 Markers en twee Spakenburgers op de haringvloot. In 1914 zijn het er in totaal 915. Dan zijn de Urkers met 270 man in de meerderheid, gevolgd door Spakenburg (228) en Marken (219). Zo’n (gemiddeld) 70 Terschellingers varen op de Duitse loggers uit Emden, Leer, Brake en Vegesack.

Markers houden deze praktijk het langst in ere. Ook na de Tweede Wereldoorlog vaart de dan tot circa 35 schepen geslonken Vlaardingse vloot met Markers, Scheveningers, Katwijkers en Noordwijkers. In 1960 komt nog slechts 11 procent van de bemanning van de Vlaardingse vloot uit de stad zelf. 

De conclusie dat de Vlaardingse haringvisserij vanaf midden achttiende eeuw tot het einde toe is gedragen door ‘gastarbeiders’, zowel uit eigen land als van daarbuiten, is dan ook op zijn plaats.

Historicus Frits Loomeijer spreekt bij het vissersmonument aan de Koningin Wilhelminahaven voor de Marker genodigden en Vlaardingse belangstellenden, waaronder de locoburgemeester. (Foto: Arie Wapenaar)
Het Christelijk gemengd koor Marcantat uit Marken zingt in de grote Kerk te Vlaardingen. (Foto: Arie Wapenaar)