
Van harde grens naar levendige overgang: hoe natuurlijke dijkzones ecologie én visserij versterken
AlgemeenYERSEKE - In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdier- en visserijsector samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de delta, kustwateren en zee. Kennis van en voor de regio Zeeland. Hierover is een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale publieke organisaties. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, off-bottom kweek van oesters, verbeteren van de kennis over het kreeftenbestand, schelpdiersurveys en effecten van kustverdediging op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet regelmatig een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer gaat het over de veranderingen in de overgang tussen land en water door de jaren heen.
Van zacht estuarium naar harde rotskust
Wie vandaag langs de dijken van onze grote wateren gaat, ziet vooral rechte lijnen, stenen glooiingen en scherpe overgangen tussen land en water. Dat voelt vanzelfsprekend, maar eeuwenlang zag onze kustlijn er totaal anders uit. Nederland kende een zacht, dynamisch estuarien landschap van zand en slib, met uitgestrekte platen, schorren en gorzen die geleidelijk overgingen in kreken en geulen. In zo’n systeem liep zoet water vanzelf over in zout water.
Die geleidelijke overgangszones zijn we in de loop van eeuwen langzaam kwijtgeraakt. Schorren werden ingepolderd, kreken afgesloten, en dijken rechtgetrokken en versteend. Zo veranderde het natuurlijke deltalandschap stap voor stap in een door mensen gemaakte ‘rotskust’, waar nauwelijks nog ruimte is voor het menggebied dat gezonde estuaria zo productief maakt.
De Deltawerken versterkten die trend. Door het getij te temmen of zelfs geheel te stoppen, verdween ook de belangrijkste natuurlijke motor die zoet en zout voortdurend mengt. Tegelijkertijd richtte het binnendijkse waterbeheer zich steeds sterker op het tegengaan van verzilting en snelle afvoer van regenwater. Daardoor verdwenen ook binnendijkse vaak de brakke zones, kwelplekken en overgangsgebieden.
Waarom harde overgangen problemen geven
Doordat we het landschap hebben opgesplitst in strakke scheidingen tussen zoet en zout zijn deze overgangen onnatuurlijk abrupt geworden. Waar een poldergemaal een straal zoet, vaak voedselrijk water loost in een zout meer, ontstaat een ecologische schok. Twee werelden die in een natuurlijke situatie geleidelijk in elkaar overlopen, botsen hier plotseling hard op elkaar.
In een natuurlijker estuarium zou dat zoete water meebewegen met het getij. Het zou met elke vloed en eb meanderen en langzaam mengen, waardoor planten en dieren meer tijd krijgen om zich aan te passen. Maar in afgesloten of nauwelijks stromende systemen zoals de Grevelingen of het Veerse Meer gebeurt dat niet. Het zoete water blijft als een lens op het zoute liggen. Het mengt slecht, kan zuurstoftekorten veroorzaken en verstoort het onderwaterleven.
Het resultaat is een barrière waar organismen worden geconfronteerd met plotselinge veranderingen in zoutgehalte en zuurstof. In plaats van een geleidelijke overgangszone met verschillende leefplekken, die veel verschillende soorten ondersteunen, ontstaat een abrupt grensvlak. Een overgang die normaal gesproken rijkdom en variatie in het leven oplevert, wordt zo een bron van stress en verstoring.
Een natuurlijke oplossing: overgangen verzachten
Wij onderzoeken daarom in opdracht van Staatsbosbeheer of we die overgang tussen zoet en zout weer kunnen verzachten door de dijkzone opnieuw in te richten. Denk aan buitendijkse vooroevers met zilte graslanden, biezen- en rietvelden, ondiepe poelen en langzaam kronkelende geulen die het polderwater een natuurlijker route naar het meer geven. Ook binnendijks kunnen riet- en biezenkragen dienen als een soort “natuurlijke voorzuivering”.
Het principe is eenvoudig: laat het zoete polderwater eerst door een geleidelijke, natuurlijke overgangszone stromen voordat het zoute meer bereikt wordt. Planten, bodemdieren, micro-organismen, algen, slib en zand doen dan het eerste werk: het water filteren, voedingsstoffen opnemen en het mengproces versoepelen. Hierdoor ontstaat een veel natuurlijkere, minder schoksgewijze overgang waar zowel ecologie als visserij potentieel van profiteren.
Waterkwaliteit en ecosysteem winnen mee
Die verzachting van de zoet-zoutgrens heeft potentieel een dubbele winst. Ten eerste voor de waterkwaliteit. Polderwater is vaak rijk aan nutriënten en kan resten van gewasbeschermingsmiddelen bevatten. Dat is een bekend knelpunt voor de Kaderrichtlijn Water én voor het ecologisch functioneren van de meren. Een natuurlijke filterzone neemt het scherpe randje van die lading af. Het is geen wondermiddel, want bronaanpak blijft nodig, maar het is wel een nuttige aanvullende stap.
Ten tweede biedt een geleidelijke overgang ecologische voordelen die we in Nederland grotendeels zijn kwijtgeraakt. Wetlands in de overgangszones tussen zoet en zout horen tot de rijkste leefgebieden die er bestaan. Veel vissen, garnalen en schelpdieren gebruiken brakwaterzones als opgroeigebied, foerageerplek of migratieroute. Trekvissen zoals paling, spiering en stekelbaars hebben deze gebieden nodig om veilig hun overstap van zoet naar zout te maken. Een harde zoet-zoutovergang zorgt voor stress en verhoogt kans op sterfte. Een gradiënt neemt die drempel weg.
Herstel van kraamkamers
In zulke overgangszones ontstaan vaak jonge rietvelden, schorren en ondiepe oevers. Dit zijn structuren die niet alleen vol leven zitten, maar ook belangrijke functies vervullen. Ze houden sediment en voedingsstoffen vast, remmen algenbloei, dempen extremen en slaan koolstof op. Dat maakt het watersysteem veerkrachtiger in een veranderend klimaat. Ook de visserij kan hiervan profiteren. Dit soort beschutte, ondiepe habitats fungeren als kraamkamer voor verschillende vissoorten. Een stabieler en gezonder ecosysteem leidt uiteindelijk tot robuustere en meer voorspelbare visbestanden.
Door de dijkzones rond poldergemalen natuurlijker in te richten, kunnen we een deel van het productieve estuariene karakter terugbrengen dat hier vroeger vanzelfsprekend was. Zo ontstaat er niet alleen meer leefgebied voor jonge vis, maar neemt ook de verstoring rond lozingspunten af. Betere menging van zoet en zout vermindert de schommelingen in waterkwaliteit. Dat levert uiteindelijk winst op voor het meer, voor de biodiversiteit én voor de visserij.
Dijkzones van de toekomst
Het gaat niet om terugkeren naar vroeger, maar om het benutten van natuurlijke principes in een moderne omgeving. Met relatief kleine ingrepen kunnen we grote positieve effecten bereiken voor mens én natuur. Een paar meter dijk hoeft dan niet langer een harde muur te zijn, maar wordt een overgang die water verwerkt in plaats van alleen afvoert, en die tegelijk nieuwe belevingswaarde biedt.
Zo ontstaat een zone waar polder en meer, systemen die nu vaak strikt gescheiden zijn, weer op een gezonde manier met elkaar verbonden worden. Wanneer we de natuur een zetje geven, neemt zij het werk vervolgens grotendeels over. En daarvan profiteren uiteindelijk zowel de biodiversiteit als de visserij én iedereen die langs deze wateren leeft of werkt.
Jim van Belzen,
Estefania Velilla
Jim.vanBelzen@wur.nl
