Vissers hebben een relatie

met visbestekken 


De naam voor plaatsen op zee waar vis gevangen wordt is ‘visbestek’. Elk visbestek heeft zijn eigen kenmerken, zoals diepte en hoogtes (de waterkolom, geulen, randen) en het type bodem (slap, steen, hard, zanderig). Dat kunnen vaste kenmerken zijn maar ook variabele. Zo kan een visgrond bekend staan om goede vangsten van een bepaalde soort of maat, maar die kunnen ook weer verdwijnen. Ook de bodem verandert continu door stroming, tij en golven. Goede visbestekken zijn dus variabel.


Visbestekken of -gronden hebben veelal namen, niet alleen is dat handig zodat je makkelijker kunt praten over waar je vist, maar het laat ook zien dat vissers de zee kennen zoals wij een landschap. Plekken hebben namen omdat ze bepaalde vaste kenmerken hebben (gat, bank, grond, bocht, diep); kenmerken van tijdens het vissen (‘koeienstaarten’ – omdat er veel wier in de netten zat); de dieptelijnen een bepaalde vorm hebben op de zeekaart (de ‘banaan’, het ‘trappetje’) of omdat er iets is gebeurd (‘bij Koert’; omdat de kotter van schipper Koert daar in de mist werd overvaren en zonk – gelukkig werd iedereen gered). 


Namen van gebieden zijn dus niet voor iedereen hetzelfde. Er kunnen namen zijn die gekoppeld zijn aan een vissershaven of gemeenschap, of aan een bepaalde generatie vissers. Sommige namen voor visgebieden zijn deel geworden van de Nederlandse taal. Dat laat zien hoezeer het werken op zee verbonden is met de Nederlandse cultuur. Zo was er een visgebied, een lange zandbank voor de Hollandse kust dat de ‘Breeveertien’ heette. Dat was een brede bank van 14 vadem diep (ongeveer 25 meter). ‘De Breeveertien opgaan’ is een uitdrukking dat betekent dat je je geluk elders gaat beproeven of het verkeerde pad op gaat. 


Vissers onderhouden dus een relatie met hun visgebieden en deze zijn dus ook niet zomaar vrij uitwisselbaar. En hebben de ervaring dat hoe ‘goed’ een bestek is, afhankelijk is van de omstandigheden. Dit zijn belangrijke culturele- en visserijpraktische aspecten om mee te nemen bij beleidskeuzes over het sluiten van een gebied.