Afbeelding
Henk Buitjes

De ene plek op zee is de andere niet, over het maken van keuzes waar te vissen

Algemeen

DEN HAAG - De Nederlandse kottervisserij is de afgelopen jaren in sneltreinvaart veranderd. Het pulsverbod, visserijbeperkingen in natuurgebieden, de bouw van windparken op zee en de Brexit zijn een paar van de ontwikkelingen die grote invloed hebben op de ruimte voor de visserij op zee. De kottervloot is door de sanering al fors gekrompen en ook de garnalenvloot staat voor een reductie. Deze veranderingen raken niet alleen het werk op zee, maar werken door in de hele keten - van aanvoer tot handel - en in de visserijgemeenschappen aan land. 

Tegelijkertijd heeft de overheid in haar Voedselvisie het belang van voedsel uit zee benadrukt. Om dat te kunnen waarmaken is ruimte voor de visserij essentieel. In opdracht van het ministerie van LVVN en Rijkswaterstaat is Wageningen Social & Economic Research (WSER) samen met Wageningen Marine Research (WMR) betrokken bij twee onderzoeksprojecten waarin wordt onderzocht wat de invloed is van beleidsmaatregelen, zoals gebiedssluitingen en andere ruimtelijke ontwikkelingen op zee, op de beslissingen die vissers maken. Vervolgens wordt onderzocht wat de ecologische en sociaaleconomische effecten op de Nederlandse visserij zijn die met deze beslissingen verband houden. 

De onderzoeksprojecten draaien op volle toeren. Wageningen Social & Economic Research publiceert een serie over de laatste ontwikkelingen.  

In deel 4 van deze serie geven onderzoekers Marloes Kraan, Alba Pulskens en Nathalie Steins inzicht in de eerste uitkomsten van het onderzoek naar vissersgedrag. Waar de vorige bijdragen de algemene context, de economische cijfers en de technische basis van het model DISPLACE behandelden, gaat dit artikel in op de vraag: hoe maken vissers de keuze waar ze gaan vissen en wat kunnen we met die inzichten doen?

Eerst eens mee de zee op

Met het DISPLACE-model willen we laten zien wat de gevolgen zullen zijn van sluitingen op zee voor de visserij. Om die reden is het belangrijk om te begrijpen hoe vissers kiezen waar ze gaan vissen. Pas als we daar zicht op krijgen, kunnen we mogelijke reacties op sluitingen modelleren. 

In het verleden schatten we zulke reacties in op basis van aannames over keuzes van vissers. Bijvoorbeeld: ‘als de gasolieprijs hoog is, zullen vissers dichter bij de vertrekhaven vissen’. In plaats van aannames doen, wilden we nu directer onderzoeken hoe vissers keuzes maken. 

De vraag ‘wat doen vissers en waarom?’ is bij uitstek een sociaalwetenschappelijke vraag. En één van de methodes om daar onderzoek naar te doen is participerende observatie. Daarom gingen Nathalie Steins en Alba Pulskens in 2024 mee aan boord bij vier verschillende visserijtypen: flyshoot, twinrig, garnalen en boomkor. En daarna bespraken zij de uitkomsten met de schippers in een interview. 

Om te kijken of de uitkomsten van de observatiereizen ook geldig waren voor andere vissers hebben we daarna bijeenkomsten gehouden met grotere groepen vissers. Dit deden we in groepen per visserijtype. Om nog meer vissers te bereiken, werd ook een korte online vragenlijst uitgezet. Dat betekent dat de uitkomsten niet alleen gebaseerd zijn op de reizen maar ook op de ervaringen van meer dan 20 andere schippers in gesprekken en 28 deelnemers aan de vragenlijst. 

Veel vragen op de brug: Waarom vis je hier?

We vroegen de schippers waarom ze ergens hun netten uitzetten. De meeste vissers benoemen ‘ervaring’ als een belangrijke factor om te bepalen waar ze gaan vissen. Die ervaring kan gaan over goede vangsten de week (of weken) ervoor, vorig jaar of ervaring over visgronden die in de familie is doorgegeven. Soms wordt er ergens ‘onderweg’ gevist, op weg naar goede visbestekken of terug naar de haven. 

De marktprijs voor vissoorten speelt soms ook een rol, bijvoorbeeld bij het zoeken naar belangrijke bijvangstsoorten zoals tarbot in de platvisvisserij. Voor garnalenvissers (die een weekprijs hebben) speelt dat niet. 

Boomkor- en twinrigvissers gaven aan dat historische visgronden een rol spelen. Het gedrag van de doelsoort is uiteraard altijd een factor. Dat kan ook een reden zijn om te vertrekken, bijvoorbeeld omdat de doelsoort overdag minder goed vangbaar is.

Naar een ander bestek verplaatsen

Op een gegeven moment wordt er verplaatst naar een ander visbestek. Op de brug, in de enquête en tijdens de bijeenkomsten vroegen we wanneer vissers besluiten weg te gaan. De meeste vissers gaven aan te verplaatsen zodra ze het idee hebben dat vangsten te veel teruglopen of omdat ze horen (of vermoeden) dat deze elders beter zijn. 

Bij het maken van de keuze gebruiken vissers hun eigen kennis en ervaring, maar ze kunnen ook contact hebben met andere vissers. Het uitwisselen van informatie met collega vissers gebeurt veel, en afhankelijk van de relatie en het vertrouwen wordt de informatie ook gebruikt. Sommige vissers delen informatie met familieleden, maar anderen lieten lachend weten dat ze dat echt niet gingen doen, er was juist sprake van competitie met de broers of neven. 

Ook AIS speelt een grote rol voor veel vissers: als collega’s ergens lang op en neer blijven vissen, gaat het vissen kennelijk goed. Golfhoogte speelt voor vissers een belangrijke rol bij de vangbaarheid. Maar wat een aanvaardbare golfhoogte is, verschilt per visserijtype en scheepsgrootte. Of er bij meer wind en golfhoogte besloten wordt om te verplaatsen of – in het ergste geval - terug naar de haven te gaan, hangt af van de vangsten. 

Sommige factoren om te vertrekken verschillen tussen de visserijtypen; garnalenvissers geven aan te kijken naar de kleur van het water en flyshootvissers geven aan dat drukte op het bestek een rol speelt. 

Als het niet meer goed vangen is, wordt er verplaatst. Wat ‘goed’ vangen is, is zeer relatief. Die ervaring hangt af van het moment in de reis, want gedurende de reis komt er meer vergelijkingsmateriaal bij: ‘wat ving ik eerder’ en ‘wat hoor ik over vangsten elders’. 

Wat geldt als een ‘verplaatsing’ verschilt ook tussen vissers. Voor de één is het pas een verplaatsing als er minstens 15 minuten gestoomd wordt, voor de ander als er verplaatst wordt naar een dieper deel van hetzelfde gebied of als de naam van het visbestek veranderd.

Omstandigheden van de visreis

Vissers hebben altijd een plan als ze de haven uitgaan. Gedurende de reis moeten ze hun verwachtingen aanpassen en soms ook hun plan. Vissers moeten flexibel zijn, omdat er altijd iets kan gebeuren dat het plan beïnvloedt. 

Naast natuurlijk weersomstandigheden, gebeurt het regelmatig dat er iets is met het tuig, het net, de motor, iemand kan ziek worden of gewond raken of de visserij-inspectie kan aan boord komen, hetgeen visverlet geeft.

Factoren die keuzes beïnvloeden

Al met al hebben we de observaties, interviews, enquêtes en gesprekken met groepen vissers kunnen samenvatten met lijsten van factoren die een rol spelen bij het maken van keuzes waar te gaan vissen. 

Er zijn best veel overeenkomsten tussen vissers en verschillende visserijtypen, maar er zijn ook verschillen. Zo speelt bijvoorbeeld ‘MSC-certificering’ alleen een rol voor garnalenvissers (door de urenregeling). We hebben alle factoren met de modelleurs doorgenomen en gekeken welke ze kunnen modelleren en welke niet. Bijvoorbeeld omdat de gegevens ontbreken of omdat er privacygevoelige informatie voor nodig is. 

We kunnen dus niet alle factoren gebruiken in het model, maar een aantal zeker wel. ‘Bekende goede plek’ en ervaring zijn factoren die we in het model kunnen toepassen op basis van de VMS-gegevens. Maar de kleur van het water en getij kunnen we nog niet in het model bouwen. 

De modelleurs zijn nu hard aan de slag om al deze informatie in het model in te passen. Op termijn betekent dat, dat de keuzes die in het model worden gemaakt, zo goed mogelijk lijken op de keuzen van vissers.

Marloes Kraan (marloes.kraan@wur.nl)

Alba Pulskens (alba.pulskens@wur.nl)

Nathalie Steins (nathalie.steins@wur.nl)

Vissers hebben een relatie met visbestekken 

De naam voor plaatsen op zee waar vis gevangen wordt is ‘visbestek’. Elk visbestek heeft zijn eigen kenmerken, zoals diepte en hoogtes (de waterkolom, geulen, randen) en het type bodem (slap, steen, hard, zanderig). Dat kunnen vaste kenmerken zijn maar ook variabele. Zo kan een visgrond bekend staan om goede vangsten van een bepaalde soort of maat, maar die kunnen ook weer verdwijnen. Ook de bodem verandert continu door stroming, tij en golven. Goede visbestekken zijn dus variabel.

Visbestekken of -gronden hebben veelal namen, niet alleen is dat handig zodat je makkelijker kunt praten over waar je vist, maar het laat ook zien dat vissers de zee kennen zoals wij een landschap. Plekken hebben namen omdat ze bepaalde vaste kenmerken hebben (gat, bank, grond, bocht, diep); kenmerken van tijdens het vissen (‘koeienstaarten’ – omdat er veel wier in de netten zat); de dieptelijnen een bepaalde vorm hebben op de zeekaart (de ‘banaan’, het ‘trappetje’) of omdat er iets is gebeurd (‘bij Koert’; omdat de kotter van schipper Koert daar in de mist werd overvaren en zonk – gelukkig werd iedereen gered).

Namen van gebieden zijn dus niet voor iedereen hetzelfde. Er kunnen namen zijn die gekoppeld zijn aan een vissershaven of gemeenschap, of aan een bepaalde generatie vissers. Sommige namen voor visgebieden zijn deel geworden van de Nederlandse taal. Dat laat zien hoezeer het werken op zee verbonden is met de Nederlandse cultuur. Zo was er een visgebied, een lange zandbank voor de Hollandse kust dat de ‘Breeveertien’ heette. Dat was een brede bank van 14 vadem diep (ongeveer 25 meter). ‘De Breeveertien opgaan’ is een uitdrukking dat betekent dat je je geluk elders gaat beproeven of het verkeerde pad op gaat.

Vissers onderhouden dus een relatie met hun visgebieden en deze zijn dus ook niet zomaar vrij uitwisselbaar. En hebben de ervaring dat hoe ‘goed’ een bestek is, afhankelijk is van de omstandigheden. Dit zijn belangrijke culturele- en visserijpraktische aspecten om mee te nemen bij beleidskeuzes over het sluiten van een gebied.

Het onderzoek met als onderwerp de sociaaleconomische impact wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Het tweede onderzoek, over ruimtegebruik op zee, wordt uitgevoerd in het kader van het programma Monitoring, Onderzoek, Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS) dat Rijkswaterstaat uitvoert namens het Noordzeeoverleg (NZO). Dit laatste onderzoek wordt gefinancierd vanuit het European Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF).


H Nathalie Steins.
H Marloes Kraan.
H Alba Pulskens
H Historische kaart van de zuidelijke Noordzee waar sommige namen van visgebieden op staan, onder meer de Breeveertien [bron: Graham, M. 1946– De Vispoort (originele titel: The Fish Gate, vertaald door Prof. dr. G. P. Baerendse in 1949, Uitgeverij v.h. C. de Boer Jr.)
H Figuur: Factoren die een rol spelen bij keuze visgebied (aankomst en vertrek), de informatie die gebruikt is en de omstandigheden van de visreis.
Afbeelding