H Uitleg aan Omrop Fryslan op het Rode Hoofd onder Schiermonnikoog over de enorme mosselzaadval in 2024. (Foto: Sander Glorius)
H Uitleg aan Omrop Fryslan op het Rode Hoofd onder Schiermonnikoog over de enorme mosselzaadval in 2024. (Foto: Sander Glorius) Sander Glorius

Vanuit Friesland naar Zeeland en nu emigreren naar Zweden

Karin Troost gaat de Waddenzee missen

YERSEKE/HARLINGEN – Schelpdierbioloog dr. Karin Troost verlaat Zeeland en emigreert half februari naar Zweden. Alle reden voor Nico Laros om een vraaggesprek met haar aan te gaan.


Jeugd op en rond het water

,,Ik ben geboren in oktober 1977 in Heerenveen en opgegroeid in Oudeschoot. Toen ik negen was kochten mijn ouders een zeilboot. Daarmee trokken we zomers over de Friese meren, het IJsselmeer en naar de Waddeneilanden. Dat leven op het water heeft me sterk gevormd.”


Van Cousteau naar mariene biologie

,,Mijn interesse voor de zee werd gevoed door de documentaires van Jacques Cousteau, maar ook door oude voorwerpen uit de familie: schelpen, een zeeschildpadschild, een lange verrekijker van generaties terug. In combinatie met mijn liefde voor natuur was de keuze voor een studie mariene biologie snel gemaakt.”


Promotieonderzoek Japanse oester

Na haar afstuderen in Groningen begon Karin in 2002 aan een promotieonderzoek naar de Japanse oester.
,,Die soort was toen sterk in opkomst en er waren grote zorgen over de ecologische effecten. In de Waddenzee begonnen ze zich net uit te breiden, maar in de Oosterschelde lag het er al aardig vol mee.”


Van Groningen naar Yerseke

Het onderzoek bracht haar al snel naar het Centrum voor Schelpdieronderzoek in Yerseke, onderdeel van het toenmalige RIVO.
,,In de Waddenzee zag je de Japanse oester toen nog nauwelijks, terwijl mijn onderzoek daar juist over ging. In Zeeland kon ik het systeem echt begrijpen. Dat was voor mij doorslaggevend om te ‘emigreren’.

Ik onderzocht waarom de Japanse zich zo succesvol kon vestigen en wat dat betekende voor inheemse schelpdieren, zoals mosselen en kokkels. Die gevolgen bleken wel mee te vallen, omdat de soorten best goed met elkaar kunnen samenleven. Mosselen in oesterbanken boeten weliswaar in qua voedselbeschikbaarheid, maar vinden beschutting tegen schelpdieretende vogels zoals de scholekster, die in banken gedomineerd door oesters nog weinig te zoeken hebben.’’


Van promovendus naar projectleider

Na haar promotie in 2009 trad Karin als onderzoeker in dienst bij IMARES, nu Wageningen Marine Research. Al snel werd zij projectleider van de Wettelijke Onderzoekstaken schelpdiervisserij.
,,Dat betekende onder meer de jaarlijkse schelpdiermonitoring voor het ministerie van LNV (nu LVVN), met veel veldwerk. Het voorjaar van 2010 was mijn eerste survey-seizoen. Zelf ging ik mee op de Waddenzee, op de YE 42, voor het inmeten van de droogvallende mossel- en oesterbanken.’’


Het belang van veldwerk

,,Ik geloof sterk in de combinatie van data en veldwerk. Cijfers zijn een abstractie. Om ze goed te kunnen duiden moet je zelf zien hoe en onder welke omstandigheden ze verzameld worden. Als projectleider vind ik dat essentieel.”


Leven aan boord YE 42

,,Ik moest eerst wel even wennen aan het werken en leven op de YE 42. Dat was nog voor de grote verbouwing, dus overdag zaten we tijdens het stomen met zijn allen opeengepakt in de stuurhut. Wat nu de ruime kombuis plus mess is, was toen nog het zonnedek. Er waren maar vier kooien in de enige hut die het schip rijk was. Daar lagen de mannen natuurlijk, en wie niet in de hut paste lag op een matrasje in de mess. De stuurhut was ’s nachts het domein van de vrouwen. Meestal lagen we voor anker, dus met de kop in de wind. De ergste tocht door de kabelgaten werd tegengehouden met stukken karton.

Die eerste week heb ik nog geen minuut geslapen. We hadden dubbele tijen, dus ’s ochtends mosselbanken inlopen bij het eerste licht, en ’s avonds nog een keer bij het laatste licht. ’s Nachts moeten we dan nog vaak een wadje over, dus toch al gauw weer enkele uren varen, rammelend over de droogte, onder het licht van de maan. Ik vond het een geweldig avontuur.

Ik was al gauw verslingerd aan het varen, het avontuur, de lange tochten op de platen. Maar ook aan de kameraadschap onderling, met de collega’s, de bemanning en de mensen van de Waddenunit van wie er iedere week altijd één mee is. In de eerste jaren liep er ook nog weleens een mosselkweker mee, voordat ze het te druk kregen met de mzi’s.

In de loopweken waren we in totaal met zijn achten aan boord, best veel voor zo’n schip. Je leeft dicht op elkaar en hebt weinig privacy. Het is een soort van snelkookpan waarin de emoties snel hoog kunnen oplopen. Maar vaker nog smeedde het een sterke kameraadschap. Ik heb ontzettend veel gelachen maar kan er verder niks over vertellen, want wat aan boord gebeurt, dat blijft aan boord!’’


Tussen de vissers

,,Aan boord van de YE 42 hebben we jarenlang een Harlinger bemanning gehad. Voor mij als Fries meisje voelde dat wel vertrouwd. Ik herkende veel Friese woorden in het Harlings, wat door de mannen natuurlijk glashard werd ontkend. Nee hoor, Harlingen is geen Friesland!

Met de Zeeuwse vissers heb ik vooral contact gehad in Yerseke zelf, bijvoorbeeld in overleggen met het bestuur van de PO Mossel, en natuurlijk aan boord van de BRU 68 voor het mosselzaad zoeken in het najaar.

Ik heb nooit het gevoel gehad mezelf staande te moeten houden. Het ging eigenlijk altijd wel vanzelf. Misschien ook omdat ik wel snapte dat de kat eerst even uit de boom gekeken moet worden. Als je aan boord maar laat zien dat je kunt werken, dat je niet op je gat gaat zitten zolang een ander nog bezig is. Zolang je maar niet in de weg loopt of je eigen denkbeelden gaat opdringen, dan is het algauw goed denk ik. Dan staat de deur open om elkaar beter te leren kennen, wat je achtergrond ook is. Ik ben blij dat ik de kans heb gehad om zoveel verschillende mensen met zoveel verschillende achtergronden en overtuigingen te leren kennen. Niet alleen onder de vissers maar ook de mensen van de Waddenunit.’’


Natuur en onderzoek

,,Dankzij de natuur is het voor mij rond, althans wat de mosselen betreft. Daarmee doel ik op de grote mosselzaadval van 2024. Het bevestigt wat we met een groepje onderzoekers al hadden voorspeld in 2019: menselijke ingrepen voor herstel van mosselbanken waren niet meer nodig en er zou van nature best eens een groter areaal kunnen ontstaan dan eerder gezien was.

In mijn werk bij WMR heb ik altijd geprobeerd om objectief te blijven, omdat ik vind dat ik zo mijn rol als wetenschappelijk onderzoeker het beste in dienst stelde van het Nederlandse beleid op gebied van visserij en natuur. Ik vind dat je als wetenschapper niet meer betrouwbaar bent als je je eigen meningen presenteert als zijnde wetenschappelijke inzichten. Onze taak is de overheid te voorzien van feiten, op basis waarvan keuzes gemaakt kunnen worden. Die feiten moeten niet vertroebeld raken door meningen en persoonlijke overtuigingen.

Maar dit standpunt wordt niet door alle wetenschappers gedeeld. Sommigen vinden juist dat je als wetenschapper de plicht hebt om jouw positie te gebruiken om de natuur te beschermen, volgens eigen interpretaties van wat daar precies voor nodig is. Juist dan zie je vaak dat meningen en feiten door elkaar gaan lopen. Meningen van wetenschappers worden aangezien voor wetenschappelijke feiten. En zo kan het gebeuren dat er grote projecten worden opgezet om met kunstmatige middelen mosselbanken te ‘herstellen’, die van nature omvangrijker zijn dan ooit tevoren.

De mosselpopulatie demonstreerde in 2024 zich prima zelf te kunnen redden, hoewel ik daarmee niet de illusie heb dat dit het einde betekent van de drang naar mosselbankherstel. De drang naar natuurherstel in brede zin is groot en maatregelen worden vaak (naar mijn idee steeds vaker) gebaseerd op persoonlijke meningen en eigen interpretaties van het beleid en te weinig op wetenschappelijke inzichten (soms alleen op studies die in de kraam te pas komen). Ik ben ervan overtuigd dat dit het natuurbeheer in Nederland niet ten goede komt en ik had graag bijgedragen aan een verandering in deze tendens, maar ik vrees dat daar een langere adem voor nodig is.’’


Schelpdieren

Ik heb altijd een zwak gehouden voor de Japanse oester, vanuit mijn promotieonderzoek. Heerlijk om tijdens de bemonsteringen een klont Japanse oesters te ontleden. Maar als het om te eten is, heb ik het liefst Filipijnse tapijtschelpen of kokkels. Kokkels zijn enorm ondergewaardeerd, vind ik. Zonde dat het meeste naar Spanje gaat, omdat het in Nederland maar zo weinig wordt gegeten. Het is toch veel mooier om uit je eigen achtertuin te eten dan van ver weg.''


Nieuw avontuur in Zweden

Samen met haar man Daniël, als onderzoeksassistent werkzaam bij het NIOZ, vertrekt Karin naar Zweden.
,,We wilden al langer rust en ruimte, midden in de natuur. Na een zoektocht op Hemset.se (de Zweedse Funda) hebben we een huis gekocht met een mooie lap grond, midden tussen de reeën, zwijnen, elanden, vossen en noem maar op. Verwacht geen ‘Ik Vertrek’-verhaal, maar gewoon een nieuw leven opbouwen. Het huis is nieuw, ik ben de taal aan het leren.

Geen camping, geen B&B, maar er moet natuurlijk wel brood op de plank komen. Hoe dat gaat lukken, dat moeten we nog ontdekken. Daniël wil wel van alles aanpakken en heeft een ruime ervaring als chauffeur, op de heftruck en als schipper van een kleine werkboot. Ik werk al vijf jaar aan een historische roman en hoop daarmee een schrijfcarrière te lanceren. Mocht dat niet lukken, dan komt er wel iets anders op mijn pad. Misschien wat advieswerk op afstand. Ik zal de Waddenzee missen, maar kijk vooral uit naar wat komen gaat.”


Nico Laros



Objectieve wetenschap


Terugkijkend is Karin Troost best kritisch op de rol van wetenschap in het natuurbeleid.

,,Wetenschappers moeten feiten leveren, geen meningen presenteren als wetenschap. Ik zie dat die grens steeds vaker vervaagt. Dat kan leiden tot maatregelen die niet gebaseerd zijn op de daadwerkelijke toestand van de natuur.”

De grote mosselzaadval van 2024 bevestigde volgens haar dat natuurlijke processen vaak krachtiger zijn dan gedacht. ,,Voor mij voelde dat als een afronding van een lange onderzoekslijn.”

H Samen met collega Sara Breunesse op het Balgzand. Op de achtergrond de YE 42, volgens Karin het mooiste schip van het Wad. (Foto: Yoeri van Es)