Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Onderzoek overlevingskans platvis

Zijn leefbakken de beste methode?

IJMUIDEN – Van de gevangen ondermaatse tong overleeft 29 procent, bij scholletjes is dat gemiddeld 15 procent. Publicaties over deze resultaten van het eerste onderzoek naar de overleving van tong en schol in de pulsvisserij was voor vissers aanleiding om op sociale media vragen te stellen over de onderzoeksmethode. Wageningen Marine Research en opdrachtgever VisNed leggen uit waarom er voor onderzoek met leefbakken aan boord en aan de wal is gekozen en niet voor een andere methode.

In 2015 en 2016 heeft Wageningen Marine Research in opdracht van de Cöoperatieve Visserijorganisatie een eerste onderzoek naar de overleving van schol, tong en schar uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn onlangs gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift ICES Journal of Marine Science. De eerste resultaten laten zien dat van de gevangen ondermaatse schol gemiddeld 15% overleeft en van de tong 29%. Geschat wordt dat 16% van de schar overleeft nadat deze overboord is gezet. De overlevingsgetallen voor schol en tong zijn aanzienlijk hoger dan die uit eerder onderzoek in de jaren tachtig. Deze cijfers zijn een aanwijzing dat de overleving in de pulsvisserij hoger is dan met de traditionele visserij met wekkertuigen. Dit jaar start het vervolgonderzoek in opdracht van VisNed met een financiële bijdrage uit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij.

Toen de onderzoeksresultaten vorige week gepubliceerd werden, leverde dat direct vragen op vanaf zee. Het onderzoek met de bakken zou de natuurlijke situatie niet goed nabootsen en daarom niet goed zijn. Andere vissers wezen op het archief van Jaap Tanis (GO 38/48) waarin hij formulieren heeft waarin het RIVO bevestigt dat zijn kotter gemerkte schol had terug gevangen. Dat zou toch bewijs zijn van een overlevingsproef die wél werkt. EMK-kottervissers op Twitter (19 maart): “#Vissers hebben 0 vertrouwen in overlevingsonderzoek vis @WURmarine | Natuurlijke omstandigheden ontbreken #fail”.

Waarom onderzoek met leefbakken?

Overlevingsunits in het laboratorium in Yerseke.Overlevingsunits in het laboratorium in Yerseke. Bij het onderzoek naar de overleving maken we gebruik van een internationale gestandaardiseerde methode. Deze methode is ontwikkeld door ICES (International Council for the Exploration of the Sea). De ondermaatse vissoorten worden aan boord van een commercieel vissersschip verzameld. In het eerdere onderzoek gebeurde dit zowel direct nadat de vangst is binnengehaald als aan het einde van het vangst-sorteerproces. In het vervolgonderzoek wordt alleen aan het einde van het sorteerproces verzameld, omdat we alleen gaan kijken naar de uiteindelijke overleving en niet meer naar wat er tussen vangst en het overboord gaan nog allemaal met de ondermaatse vis gebeurt (zie kader 1).

De verzamelde vissen worden gecontroleerd op beschadigingen en per vijf vissen in een bak met doorstromend zeewater gedaan. Ook wordt lucht toegevoegd zodat het zuurstofgehalte van het water op een goed niveau blijft. De waterkwaliteit en de vissen in deze bakken worden vervolgens elke dag gecontroleerd. Zodra de kotter weer in de haven ligt worden de bakken verplaatst naar het laboratorium. Daar worden de bakken continu doorstroomd met vers zeewater om een optimale waterkwaliteit te garanderen. De vissen worden een keer per dag gevoerd en krijgen altijd natuurlijk voedsel (zagers, zeepieren en ongekookte garnalen).

Om de overlevingskans te bepalen worden de vissen in het laboratorium nog twee weken in de gaten gehouden. Vooral in de eerste zes dagen na de vangst gaan veel vissen dood. Pas rond het einde van de tweede week gaan er bijna geen vissen meer dood. Daarom moeten de vissen nog minstens twee weken in het laboratorium in de gaten gehouden worden. Pas als de sterfte gestabiliseerd is, kun je de overlevingskans bepalen.

Direct na de vangst leeft nog wel 90% van de ondermaatse schol, maar dit zegt dus niets over de uiteindelijke overlevingskans. In de uren en dagen direct na de vangst verslechtert de conditie van de vis namelijk door bijvoorbeeld zuurstofgebrek dat tijdens het verwerkingsproces aan boord is opgelopen en/of door (onzichtbare) verwondingen die tijdens de vangst of verwerking zijn ontstaan en waardoor alsnog sterfte optreedt (zie kader 2).

Dat is ook de reden dat we werken met controlevissen. De controlevissen (uit zee), die al een tijdje in het laboratorium hebben geleefd, gaan mee aan boord. Zij worden tijdens de visreis tegelijk met de vissen uit de vangst in de overlevingsbakken gezet en op dezelfde manier behandeld als de ‘vangstvissen’ (de testvis). Door met controlevissen te werken, kunnen we uitsluiten dat de sterfte optreedt omdat de vissen aan boord en in het laboratorium in bakken gehouden worden. Als de situatie in het laboratorium ongunstig zou zijn, zouden de controlevissen daar immers ook last van moeten hebben. Waarom is nu precies gekozen voor deze methode en niet voor bijvoorbeeld een onderzoek met merkjes? Dit heeft alles te maken met het bepalen van de hoogte van de overleving.

In de Europese regelgeving rond de aanlandplicht is opgenomen dat voor soorten met een hoge overleving een ontheffing kan worden aangevraagd. Er is geen definitie opgenomen wat ‘hoge overleving’ precies is. Dit is uiteindelijk een besluit van de visserijbeheerder. In het geval van platvis in de Noordzee is dat de Scheveningen Group (Noordzeelidstaten) die verantwoordelijk is voor het Discardsplan Noordzee. Wat de onderzoekers samen met de vissers voor een goede besluitvorming kunnen doen, is informatie verzamelen over de overlevingskans van gevangen ondermaatse vis. Omdat de aanlandplicht gefaseerd wordt ingevoerd via discardsplannen en schol (en schar) op de lijst staan voor 2018, is het belangrijk dat goede gegevens over de hoogte van de overleving zo snel mogelijk beschikbaar zijn.

Ook is het belangrijk dat de methode die de onderzoekers van de verschillende landen gebruiken om overleving te bepalen internationaal geaccepteerd is. Stel je voor dat het Nederlandse ministerie een uitzondering zou vragen voor een vissoort omdat uit Nederlands onderzoek blijkt dat voor die vis de overlevingskans 60% is, en dat dan de Deense overheid zegt dat hun onderzoekers op basis van een totaal andere methode voor die vis uitkomen op 5%. Dan kun je je voorstellen dat dit het besluit over een uitzondering niet gaat helpen, omdat er dan geen wetenschappelijke overeenstemming is.

Een experiment met merkjes kun je ook prima standaardiseren, dus dat is op zich geen probleem. Het grootste bezwaar tegen het gebruik van merkjes voor overlevingsonderzoek is echter dat je hiermee de zogenaamde absolute overleving van schol en tong niet goed kunt bepalen. Absolute overleving is de schatting van het totaal aan overleving door het vangst- en verwerkingsproces. En juist die absolute overleving is de informatie die je nodig hebt om de omvang van de overleving te bepalen en een ontheffingsaanvraag te doen.

Haken en ogen aan de leefbakken

Terugmelding merkjesonderzoek. Een schol uitgezet in juli 1988 werd in januari 1992 gevangen.Terugmelding merkjesonderzoek. Een schol uitgezet in juli 1988 werd in januari 1992 gevangen. De conclusie van de (internationale) visserijonderzoekers is dat de leefbakken op dit moment de meest geschikte manier zijn om de overlevingskans te bepalen. De leefbak-methode is na veel overleg en vergelijkingen van verschillende methodes in de speciaal opgerichte ICES werkgroep WKMEDS tot internationale standaard verkozen. Ook de wetenschappers van VisNed hebben hieraan deelgenomen. In het vervolgonderzoek in opdracht van VisNed wordt daarom weer met deze methode gewerkt.

Vissers zien echter allerlei haken en ogen aan de bakken. De vissen zitten opgesloten in een bakje dat niet erg lijkt op de natuurlijke omstandigheden (zie ook kader 3). Dat klopt natuurlijk en die beperking erkennen de onderzoekers ook. We kunnen de natuurlijke omstandigheden om praktische redenen niet nabootsen in de bakken aan boord of in het lab. Wat we wél kunnen doen, is ervoor zorgen dat de omstandigheden in de bakken zo optimaal mogelijk zijn. Dit doen we door niet te veel vissen in een bakje te doen, het water continu te verversen, het zuurstofgehalte op peil te houden, de vissen te voeren met natuurlijk voedsel en de bakken twee keer per dag te controleren en dode vissen er uit te halen.

Aan boord en in het laboratorium werken we met controlevissen. Dit zijn schollen, tongen en roggen die speciaal voor het onderzoek in een hele korte (laatste) trek zijn gevangen, direct zijn verwerkt en dus weinig effect hebben ondervonden van het opvissen. Ze hebben al een tijdje in het laboratorium geleefd en hebben het opvissen overleefd. Als in de controlegroep plotseling hoge sterfte zou optreden, dan is dit een aanwijzing dat de leefomstandigheden in de bakken mogelijk niet goed zijn. Op die manier kun je dus controleren of de schollen, tongen en roggen lijden onder het feit dat ze niet in een natuurlijke situatie leven.

Er zijn experimenten gedaan met overlevingskooien onder water – om op die manier de ondermaatse platvis in een meer natuurlijke situatie te monitoren. Dit bleek in de praktijk niet te werken en tot bijna honderd procent sterfte te leiden. Deze methode heeft dus niet de voorkeur.

Wat we met het overlevingsonderzoek in bakken óók niet in kaart kunnen brengen, is wat dit betekent voor de daadwerkelijke overleving in zee. Dat is dus een andere beperking, die vissers ook terecht noemen. De vraag blijft: als de gemiddelde overlevingskans van ondermaatse tong in de leefbak 29% is, zou die kans ook 29% zijn geweest als de tong teruggezet zou zijn in zee? Misschien is dit wel zo. Maar mogelijk overleeft in werkelijkheid juist wel méér tong, omdat de vis meteen in zijn natuurlijke leefgebied terugkomt. Het zou echter ook zo kunnen zijn dat de overleving na terugzetten in zee juist minder is omdat de vis als hij beschadigd is of wat versuft is van de vangst, een makkelijkere prooi vormt voor predatoren. Deze vraag kunnen we niet beantwoorden met het onderzoek in de leefbakken, maar ook niet met het doen van merkexperimenten. Dit blijft dus een van de beperkingen van overlevingsonderzoek in zijn algemeenheid.

We kunnen de natuurlijke leefomgeving van de ondermaatse schol, tong en rog helaas niet nabootsen in het lab. Wat we wél zeker weten, dat het onderzoek met de leefbakken nu de meest betrouwbare methode is om informatie van goede kwaliteit te verzamelen die nodig is voor de besluitvorming over ontheffingsaanvragen tijdens de infasering van de aanlandplicht.

Waarom merkexperimenten minder geschikt zijn

In het verleden heeft het RIVO veel merkexperimenten uitgevoerd, onder andere naar schol. Het doel daarvan was om de migratiepatronen en de populatiestructuur in kaart te brengen. Dit is het onderzoek waarvan Jaap Tanis de meldingsformulieren heeft bewaard. Tijdens de merkexperimenten werden altijd vissen gevangen in een korte trek aan boord van een onderzoeksschip en werden alleen de onbeschadigde levendige dieren gebruikt om te merken.

In principe kun je de methode met het merken van vis gebruiken om de zogenaamde relatieve overleving te schatten. Bij relatieve overleving kijk je naar bijvoorbeeld twee groepen dieren die met verschillende vistuigen worden gevangen en vergelijk je het verschil. Het schatten van de absolute overleving met behulp van merkjes is vrijwel onmogelijk. Het enige wat je uit een merk-experiment weet, is dat een gemerkte vis die je vangt het overleefd heeft. Niet teruggevangen gemerkte vis is óf doodgegaan óf zwemt nog rond. Het is echter onmogelijk om dat voor alle gemerkte vissen vast te stellen. Je meet dus in feite een minimale overleving. De daadwerkelijke overleving is dus mogelijk veel hoger dan alleen de vissen die je terugvangt.

Naast de werkelijke overleving wordt de terugmeldkans door een aantal factoren beïnvloed: (a) de sterfte die wordt veroorzaakt door het merken zélf; (b) het verlies van de merkjes onder water; (c) de kans dat een gemerkte vis wordt teruggevangen; en (d) de kans dat een visser een gemerkte vis inlevert. De kans dat een gemerkte vis wordt teruggevangen hangt sterk af van de visserijintensiteit in de omgeving van de uitgezette vis. In de praktijk zagen de onderzoekers in de verschillende merk-experimenten die door de jaren heen zijn uitgevoerd, ook grote verschillen tussen het percentage terugmeldingen.

Toen het overlevingsonderzoek opgestart werd, is gekeken naar de bruikbaarheid van merk-experimenten. De conclusie was dat voor een schatting van de absolute overleving van platvisdiscards, die nodig is om de overlevingskans te bepalen, de merkexperimenten geen bruikbare en kosten-efficiënte methode zijn. Je zult namelijk hele grote aantallen schollen, tongen en scharren moeten merken op verschillende plaatsen en verschillende tijdstippen in het jaar en aanvullend onderzoek moeten doen naar bijvoorbeeld merkverlies en terugmeldkans. Daarnaast zal het vele jaren duren voordat je onderzoeksresultaten hebt die iets zeggen over de overlevingskans.

Als je de relatieve overleving wilt bepalen, zou je wel een merk-experiment in kunnen zetten. Relatieve overleving betekent dat je bijvoorbeeld het verschil in kaart brengt tussen ondermaatse platvis die met een traditionele boomkor wordt gevangen vergeleken met de vangst in een pulstuig. Ook hier geldt dat je vele duizenden ondermaatse platvissen moet merken om voldoende dieren terug te vangen om iets van het verschil tussen wekker- en pulstuig te kunnen zeggen. Daarnaast zullen de effecten van de visserijomstandigheden - behandeling aan boord, merkeffect, positie van merkexperiment - moeten worden uitgesloten. Je zou dan het liefst een experiment aan boord van eenzelfde kotter willen doen die met puls en wekkertuig vist. Voor roggen die veel groter zijn en waarvoor de overlevingsbakken alleen voor de kleinere exemplaren toegepast kunnen worden, kan een vergelijkend merkexperiment een bruikbaar alternatief zijn om het verschil in overleving tussen een wekker en een pulstuig te kunnen bepalen.

Samengevat: Een ontheffing kan worden aangevraagd voor soorten waar een hoge overleving voor geldt. Voor het bepalen van de hoogte van de overleving, ofwel de overlevingskans, heb je informatie nodig over de zogenaamde absolute overleving. Voor het bepalen van deze absolute overleving zijn merkexperimenten geen bruikbare methode: het is duur onderzoek en de kans dat je zeker op kortere termijn goede resultaten krijgt is klein. Als je het verschil in overleving tussen twee vistuigen zou willen weten (relatieve overleving) dan is een merkexperiment wel een geschikte mogelijkheid. De insteek voor de ontheffingsaanvraag is op dit moment gericht op het verhogen van overleving van de vissoort in de pulsvisserij door middel van technische aanpassingen aan boord en in het vangstproces. Hiervoor is de aanpak met de leefbakken – al is ook deze methode niet het meest optimaal – de beste en internationaal geaccepteerde manier. We verwachten dat de technische aanpassingen aan boord ook toegepast kunnen worden op andere visserijen en dus ook de overlevingskans van de vis vergroten.

Klankbordgroep

Die dierproefvergunning die nodig is voor het overlevingsonderzoek is afgegeven. Het praktijkonderzoek gaat eind april van start. Het onderzoek naar de overleving wordt uitgebreid naar stekelrog, tarbot en griet. Ook gaan we kijken of aanpassingen in de verwerking aan boord of in het vissen zelf tot verbeteringen van de overlevingskans leiden. VisNed wil graag met een klankbordgroep van vissers werken die willen meedenken. Geïnteresseerde vissers kunnen zich aanmelden via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Contactpersonen

Wouter van Broekhoeven, VisNed: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. / 06-46756702 Edward Schram, WMR-projectleider overlevingsonderzoek: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. / 0317-487038

1. Waarom alleen een meting aan einde van sorteerproces?

In het eerdere onderzoek werden de vissen direct na de vangst én aan het einde van het vangst-sorteerproces verzameld. In het vervolgonderzoek verzamelen we alleen aan het einde van het sorteerproces, dus vlak voordat de ondermaatse vis weer overboord zou gaan. Het is een bewuste keuze om alleen naar de uiteindelijke overleving te kijken. In het vervolgonderzoek wordt het aantal soorten vis waarvan we gegevens willen verzamelen uitgebreid naar vijf. Ook gaan we een bakboord-stuurboord vergelijking doen (met één soort) om te kijken wat aanpassingen in de verwerkingslijn betekent voor de overleving. Omdat de capaciteit aan boord om vissen mee te nemen beperkt is en we ook maar een beperkt aantal reizen kunnen doen, kunnen we alleen voldoende gegevens verzamelen als we aan het einde van het sorteerproces verzamelen. Dit heeft geen gevolgen voor de betrouwbaarheid van de resultaten vergeleken met het eerste onderzoek. In het eerste project wilden we ook weten wat het effect van de verwerkingstijd zelf is op de overleving. Die is aanzienlijk. Dit is in het vervolgproject geen onderzoeksvraag. Ook om die reden hoeven we geen meting direct na de vangst te doen en kunnen we ons beperken tot het verzamelen van vis aan het einde van het sorteerproces.

2. Oorzaken sterfte

Uit het onderzoek dat tot nu toe is uitgevoerd blijkt dat het grootste gedeelte van de vissen sterft in de eerste dagen nadat ze aan boord zijn gehaald. Waarschijnlijk gebeurt dit door zuurstofgebrek tijdens de verwerking aan boord, of verwondingen die ze hebben opgelopen tijdens het vangstproces. Een kleiner deel sterft enkele dagen later alsnog, door infecties aan wondjes op de huid en aan de schubben. Ook de watertemperatuur blijkt een belangrijke factor: de overlevingskans neemt af als de temperatuur van het zeewater stijgt; er zit dan minder zuurstof in het zeewater en de zuurstofbehoefte van de vis is dan juist hoger. Daarnaast waren er verschillen in de overlevingskans van zowel schol als tong tussen de twee onderzochte pulsschepen. Of dit ligt aan kleine verschillen in tuigopstelling, vislocatie of andere factoren is nog onbekend. Ook is er voor schol gevonden dat de vangstsorteertijd van invloed is op de overlevingskans. De vissen die als eerste terug in zee zouden gaan, hebben de grootste overlevingskans.

3. Is het wel donker genoeg?

Vissers stelden de vraag of de schollen, die gewend zijn in een donkere omgeving te leven, niet blind worden in de leefbakken. Er zitten immers transparante deksels op de grijze bakken. Omdat schollen (in tegenstelling tot tong, die op geur afgaat) met hun ogen voedsel zoeken, zouden ze – als ze slechtziend of blind worden – geen voedsel meer kunnen vinden. De deksels op de leefbakken zijn inderdaad transparant. De bakken worden echter in een ladekast (unit) geschoven. Als de bakken in de unit zitten, is het donker. Alleen als de leefbak uit de unit wordt getrokken om de vis te controleren en/of te voeren, wordt de vis kort blootgesteld aan licht. Uit observaties blijkt dat de schollen geen moeite hebben hun voedsel te vinden, ook niet als ze een paar weken in de bakjes zitten.