Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Update overlevingsprojecten ILVO en IMARES

Vallen en opstaan

IJMUIDEN/OOSTENDE – De Europese aanlandplicht is een feit. De visserijsector vreest een negatieve invloed op de bestanden door een hogere vissterfte. In de wetgeving is een uitzonderingsmaatregel voor de discardban opgenomen als vis een hoge overlevingskans heeft. Zowel in Nederland (CVO, samen met IMARES) als België (Rederscentrale, samen met ILVO) wordt daarom in de kottervisserij wetenschappelijk onderzocht hoe groot de overlevingskansen van gevangen vis zijn. De onderzoeksprojecten zijn eind vorig jaar opgestart. Karin van der Reijden (WUR| IMARES) en Ruben Theunynck (ILVO) geven inzicht in de stand van zaken.

In verschillende Europese lidstaten zijn projecten opgestart naar aanleiding van de aanlandingsplicht – ook wel discardban genoemd – die door de EU wordt ingevoerd. De invoering is per visserij en per vissoort gefaseerd in de jaren 2016 tot 2019. De aanlandingsplicht houdt in dat alle vangsten van soorten waarvoor een quotum is vastgelegd moeten worden aangeland, en dat geldt zowel voor maatse als ondermaatse vissen.

De visserijsector vreest een negatieve invloed op de bestanden door een hogere  vissterfte. Als wetenschappelijk kan worden aangetoond dat ondermaatse vissen de vangst, het sorteren en het overboord gooien kúnnen overleven, dan voorziet de wetgeving in een uitzonderingsmaatregel voor de aanlandingsplicht. Onderzocht wordt daarom hoe groot de overlevingskansen zijn van belangrijke commerciële soorten na vangst- en verwerkingsproces in de demersale visserij.

In Nederland leidt de Coöperatieve Visserij Organisatie (CVO) een groot onderzoeksproject, samen met IMARES. Het onderzoek naar overleving wordt mede mogelijk gemaakt door het Europees Visserijfonds. In België wordt een soortgelijk onderzoeksproject van de Rederscentrale uitgevoerd door het ILVO. In Visserijnieuws en in de Rederscentrale hebben al meerdere artikelen gestaan over deze projecten. Nu is het tijd voor een nieuwe update.
Hoe gaan de projecten en wat kunnen we ondertussen zeggen? Hierbij hebben IMARES en ILVO de volgende insteek: ,,Het vangstproces en het overboord zetten van de vis kan je misschien nog wel het beste vergelijken met het vallen met de fiets. Je valt van je fiets en ernstig geschrokken sta je direct op met enkele schaafwondjes. Je doet alsof er niets aan de hand is en fietst snel naar huis. Dezelfde avond zit je op de bank tv te kijken en krijg je overal blauwe plekken. De volgende morgen heb je spierpijn,omdat je spieren geprobeerd hebben de val op te vangen. De vis kan na het overboord zetten wel weg zwemmen, maar de pijn (sterfte) komt pas later. Lang genoeg monitoren hoe het de vis verloopt is daarom essentieel, de kleine schaafwondjes zijn pas een eerste indicatie van de gevolgen.”

Bakkenunit en controlevis
Pieke Molenaar (links) en Ronald Bol van IMARES beoordelen de reflexen en beschadigingen van gevangen platvis.Pieke Molenaar (links) en Ronald Bol van IMARES beoordelen de reflexen en beschadigingen van gevangen platvis.Internationaal (in ICES; Workshop on Methods for Estimating Discard ...ILVO heeft inmiddels zes reizen uitgevoerd, waarvan de laatste in week 16. Deze reizen vonden plaats aan boord van een kustvaartuig (3) en een Eurokotter (3) met 4-meter boomkor. Bij alle reizen werd vastgehouden aan de commerciële praktijk van het vaartuig. Tijdens deze zeereizen werd schol onderzocht op overleving en varieerde de trekduur tussen 50 en 85 minuten. Naast het bemonsteren van deze slepen werden ook enkele korte slepen (14-20 minuten) uitgevoerd om de impact van sleepduur op de overleving van schol te onderzoeken. Eerdere studies tonen aan dat hoe langer gesleept wordt, hoe groter de kans op beschadigingen, stress en sterfte.

Voortgang IMARES
IMARES heeft inmiddels drie reizen uitgevoerd, waarvan de laatste in week 15. Deze reizen vonden plaats aan boord van de GO 31 (2x) en de GO 23. Bij alle reizen werd gewoon de commerciële praktijk van de Nederlandse pulskorvisserij gevolgd, waardoor de trekduur bij IMARES gemiddeld 110 minuten was.

Tijdens de laatste reis zijn er enkele kortere trekken gedaan (60 minuten) om beter te kunnen vergelijken met het ILVO. IMARES heeft de eerste reis schol en tong gemonitord, de tweede reis schol en schar en de derde reis was alleen gericht op tong.

Voorlopige resultaten
Vanwege de lage aantallen gemonitorde vissen en reizen kunnen er nog geen conclusies worden getrokken uit de overleving van elke reis. Echter zijn er wel andere voorlopige resultaten:

  1. De voorlopige eerste resultaten laten een hogere overleving zien voor schol en tong dan voor schar. Hierbij moet worden gezegd dat a) schar in de kuitzieke periode werd onderzocht, precies als de vissen al veel energie hebben ‘verloren’ aan het paaiproces en b) een definitieve uitspraak over de hoogte van de overleving en de relatieve verschillen tussen de soorten nog niet kan worden gegeven met deze beperkte gegevens.
  2. Vissen worden nu op verschillende momenten tijdens het verwerkingsproces verzameld; direct uit de stortbak en aan het einde van de verwerkingsband (op verschillende momenten). Op dit moment is de overleving bij de vissen die direct uit de stortbak zijn gepakt hoger dan de vissen die aan het einde van de verwerkingsband zijn gepakt. Als de vissen aan het einde van het verwerkingsproces van de sorteerband worden verzameld blijkt de overleving gemiddeld nog weer lager te liggen dan de vissen die aan het begin van het verwerkingsproces van dezelfde plaats zijn verzameld. Hieruit kunnen we twee voorlopige conclusies trekken:
    • Het lijkt erop dat de tijdsduur op het droge een (negatieve) rol speelt in de overleving van een vis. Vermoedelijk spelen hier twee processen: vissen kunnen onvoldoende zuurstof opnemen en de slijmlaag droogt in en loopt daardoor schade op. Elke ondermaatse vis die dus onderwater al ontsnapt uit de netten heeft waarschijnlijk een grotere kans op overleven, omdat deze niet wordt blootgesteld aan de lucht. CVO is momenteel bezig met netinnovatieprojecten om de hoeveelheden ondermaatse vissen te verminderen.
    • Het verwerkingsproces lijkt een negatieve invloed te hebben op de overleving van een vis. Op zich is dit niet vreemd; de harde waterstraal in de stortbak, het gewoel voordat de vissen op de opvoerband komen en de val vanaf de opvoerband op de sorteerband zullen niet positief bijdragen aan de overlevingskansen van een vis. Uit de eerste voorzichtige resultaten blijkt dat er waarschijnlijk mogelijkheden zijn om het verwerkingsproces aan boord aan te passen om de overleving van discards te verbeteren. Het verhogen van de overleving middels aanpassingen aan het verwerkingsproces staat centraal in een tweede project van de CVO in Nederland.
  3. Van elke vis die wordt gemonitord zijn vooraf de externe beschadigingen genoteerd. Zoals te verwachten is er een verband tussen beschadigingen en overleving te zien.
  4. Van elke vis die wordt gemonitord zijn vooraf ook reflextesten geregistreerd. Hiervoor wordt bijvoorbeeld gekeken of de vis in staat is om zich te draaien nadat hij op zijn rug is losgelaten in een bak met water. Ook wordt getest of de vis wegzwemt als zijn staart (losjes) wordt vastgepakt. Voor een uitgebreid overzicht van de reflexen wordt verwezen naar het filmpje dat ILVO heeft gemaakt over deze methode die werd ontwikkeld door de Amerikaanse wetenschapper Michael Davis (http://www.ilvo.vlaanderen.be/NL/Pers-en-media/Videos). Wanneer voldoende data verzameld is, zal onderzocht worden of de aanwezigheid van deze reflexen, in combinatie met de aanwezigheid van belangrijke beschadigingstypen, een indicator is voor de overlevingskansen van de vis.


Vervolg
Om een algemeen beeld te kunnen geven van dé overleving van een bepaalde soort in de Nederlandse en Belgische demersale visserij is het noodzakelijk om meer gegevens te verzamelen. Momenteel zijn namelijk nog lang niet alle belangrijke factoren bekeken die waarschijnlijk invloed hebben, zoals het type vistuig, de water- en luchttemperatuur, de visgrond, de trekduur en de verwerkingsduur, het jaargetijde of de vangsthoeveelheid en samenstelling.

Bij ILVO en IMARES staan daarom nog meer overlevingsreizen gepland, die verspreid over het jaar uitgevoerd zullen worden. Daarnaast zullen de onderzoekers van het ILVO en IMARES regelmatig bijeenkomen om de uitkomsten naast elkaar te leggen.