Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Haringbioloog Ad Corten heeft ‘déjà vu’ in Mauritanië

‘Uitputting sardinella lijkt op instorting Noordzeeharing’

UITGEEST – Vissers die maar doorvissen, onderzoekers die achter de feiten aanlopen en nationale overheden die weinig zin hebben om in te grijpen. Wat er nu gebeurt met de visserij op sardinella in de noordwest-Afrikaanse wateren is volgens haringbioloog Ad Corten hetzelfde als ooit, rond 1975, met de Noordzeeharing. Begin deze maand presenteerde Corten de vergelijking op een visserijsymposium in Nouadhibou (Mauritanië).

,,Zoals ik al eerder in dit blad beschreven heb loopt het de laatste jaren helemaal verkeerd met de sardinella in Mauritanië. Nadat de Nederlandse vriestrawlers in 2012 grotendeels uit het gebied verdreven waren door de uitbreiding van visserijgrenzen, hebben de Mauritaniërs het ontstane gat gebruikt om in razend tempo een vismeelindustrie op te zetten. De hiervoor benodigde vis (voornamelijk sardinella) wordt aangevoerd door Turkse purseseiners, die wél in de kustzone mogen vissen.

Binnen enkele jaren was de totale aanvoer voor vismeel al veel groter dan de hoeveelheid die vroeger door de vriestrawlers gevangen werd. Nu de sardinella het hele jaar door ook dicht onder de kust belaagd wordt, zelfs binnen de 12 mijlszone, is het bestand in korte tijd gezakt naar het laagste peil uit de geschiedenis. De uitputting van het sardinellabestand is niet alleen een probleem voor de Mauritaanse visserij, maar vooral ook voor de artisanale vissers in Senegal, die op dezelfde populatie vissen wanneer die in de winter in hun wateren zit.

In de tijd dat de Nederlanders nog op sardinella visten leverden onze schepen een schat aan gegevens over het bestand. We hadden betrouwbare vangststatistieken, de schepen namen Mauritaanse waarnemers aan boord en de vangst per dag van de schepen was een nauwkeurige maat voor de omvang van het bestand. Sinds het vertrek van de Nederlanders zitten onderzoekers zonder gegevens. De vismeelfabrieken frauderen met hun aanvoercijfers en het Mauritaanse onderzoek heeft geen mankracht en materiaal om zelf de fabrieken te bemonsteren.

Het gevolg is dat onderzoekers eigenlijk geen flauw benul meer hebben van wat er gebeurt. Ze hebben al vijf jaar geen bestandsschattingen meer kunnen maken, noch concrete beheeradviezen kunnen geven.

De overheden in Mauritanië en Senegal maken tot nu toe geen aanstalten om in te grijpen en de visserijdruk te verlagen. In Mauritanië geldt weliswaar een beperking ten aanzien van de hoeveelheid sardinella die vismeelfabrieken mogen verwerken, maar deze maatregel wordt niet gecontroleerd.

De huidige gang van zaken bij sardinella geeft mij het gevoel dat ik dit allemaal al eens eerder heb meegemaakt; een ‘déjà vu’ zoals de Fransen zeggen. In de jaren 70 van de vorige eeuw was ik als haringbioloog bij het RIVO (de voorganger van IMARES en Wageningen Marine Research) verantwoordelijk voor het onderzoek en beleidsadvisering van Noordzeeharing. Zoals oudere lezers zich nog zullen herinneren ging het in die tijd ook helemaal verkeerd met de haring. Door de ontwikkeling van een vismeelindustrie in de Scandinavische landen nam de vraag naar haring sterk toe, met als gevolg dat de vangst binnen enkele jaren explodeerde.

Biologen wisten met de situatie geen raad. Ze voelden met hun klompen aan dat het mis ging, maar ze hadden onvoldoende gegevens om assessments uit te voeren en adviezen te geven. Ze hadden geen idee hoe sterk het bestand in werkelijkheid al gedaald was, en ze waren ook erg voorzichtig met het geven van adviezen. In 1970 was het bestand al gedaald onder de 500.000 ton, maar de biologen dachten dat ze daar nog ver boven zaten. In plaats van te adviseren dat de visserijdruk onmiddellijk sterk verlaagd moest worden, adviseerden ze ‘dat een handhaving van de visserijdruk op het huidige niveau niet zou leiden tot een blijvende verhoging van de vangst’.

Die formulering illustreert enerzijds de onwetendheid van de biologen op dat moment, en anderzijds hun angst om duidelijke adviezen te geven. Pas in 1975, op het moment dat het volwassen bestand gedaald was tot 100.000 ton (minder dan 3 procent van het oorspronkelijke bestand), kwamen de biologen tot de conclusie dat de visserij eigenlijk het beste helemaal gesloten kon worden.

Na het advies van de biologen in 1975 was de Nederlandse overheid niet bereid tot het nemen van harde maatregelen. Dit kwam deels doordat de Noordzee op dat moment nog een vrij gebied was, en dat een vangstverbod alleen op basis van vrijwilligheid kon worden ingevoerd. Dat lukte natuurlijk nooit met de twintig verschillende landen die er toen visten. De situatie veranderde op 1 januari 1977, toen de landen rond de Noordzee hun economische zones gezamenlijk uitbreidden tot 200 mijl. Vanaf dat moment was de Noordzee eigendom van de landen eromheen, en werd het gemakkelijker om een vangststop in te voeren.

De verspreiding van haring in de Noordzee en de verspreiding van sardinella voor de kusten van Mauritanië, Senegal en Gambia.De verspreiding van haring in de Noordzee en de verspreiding van sardinella voor de kusten van Mauritanië, Senegal en Gambia.


De verspreiding van haring in de Noordzee en de verspreiding van sardinella voor de kusten van Mauritanië, Senegal en Gambia.De verspreiding van haring in de Noordzee en de verspreiding van sardinella voor de kusten van Mauritanië, Senegal en Gambia.


Op 1 maart 1977 besloot het UK om het advies van de biologen te volgen, en de haringvisserij in haar wateren helemaal te verbieden. De Nederlandse regering was daar fel op tegen en zij gaf de Nederlandse vloot toestemming om in de Britse zone te blijven vissen. Daarop werden twee Nederlandse trawlers door de Royal Navy aangehouden en naar een Britse haven opgebracht. Er ontstond een politieke rel, waarbij onze ministers van Landbouw & Visserij en van Buitenlandse Zaken allebei de Engelsen van kwade bedoelingen beschuldigden. Pas nadat onze visserijminister een bezoek had gebracht aan het RIVO en daar door de onderzoekers was bijgepraat, stemde de Nederlandse overheid mokkend in met het vangstverbod.

Uitgeput

Er zijn grote overeenkomsten tussen de situatie waarin de sardinella op dit moment verkeert en de Noordzeeharing in de jaren 70 van de vorige eeuw. In beide gevallen raakt het bestand uitgeput door een snelle toename van de vangst als gevolg van de ontwikkeling van een vismeelindustrie. En in beide gevallen gebeurt dat op een moment dat er nog geen sprake is van internationaal beheer. Op zo’n moment is het voor één land zinloos om zijn visserij stil te leggen, omdat de andere landen dan gewoon wat meer gaan vangen. De opzet van een internationaal beheerssysteem kost tijd, en die is er niet op zo’n moment. Vaak ook moet een visbestand eerst volledig instorten voordat er voldoende politiek draagvlak ontstaat voor een beperking van de visserij-inspanning. En een dergelijke beperking is natuurlijk ook makkelijker te realiseren nadat de bestaande visserij eerst helemaal failliet is gegaan.

De vangsten van sardinella bij Mauritanië in de periode 2000-2017, met boven de vangsten door de pelagische trawlers en onder de vangsten voor de vismeel.De vangsten van sardinella bij Mauritanië in de periode 2000-2017, met boven de vangsten door de pelagische trawlers en onder de vangsten voor de vismeel.


Naar de prullenbak

Wat kunnen wij nu voor de Afrikanen doen? Een verdere instorting van het sardinella-bestand lijkt op dit moment onvermijdelijk. Biologen kunnen niet meer adviseren, en de nationale overheden voelen zich niet verantwoordelijk voor het redden van de bestaande visserij (precies zoals vroeger in Nederland). Pas op het moment dat het grootste deel van de visserij in Mauritanië en Senegal failliet is gegaan, ontstaat er hopelijk het besef bij nationale regeringen dat ze iets moeten gaan ondernemen.

Vangsten Noordzeeharing in de jaren 1950-1975, met boven de vangst voor menselijke consumptie, onder de vangsten van Denemarken alleen en in het midden de vangsten voor de vismeel.Vangsten Noordzeeharing in de jaren 1950-1975, met boven de vangst voor menselijke consumptie, onder de vangsten van Denemarken alleen en in het midden de vangsten voor de vismeel.


Wij kunnen de Mauritaanse en Senegalese overheid niet dwingen om de noodzakelijke maatregelen te nemen. De bereidheid daartoe moet vanuit hun zelf komen. Wat we wel kunnen doen, is zorgen dat er voldoende wetenschappelijke informatie verzameld wordt om adviezen te blijven geven. Daardoor kan het bestand sneller opgebouwd worden op het moment dat de politiek daartoe eenmaal bereid is.

Vanuit dat oogpunt bezien is het teleurstellend dat zowel de EU als de Nederlandse overheid tot nu toe niet bereid zijn om de West-Afrikaanse landen hierin te steunen. Voorstellen voor een internationaal project, gericht op verbetering van onderzoek en beheer van de West-Afrikaanse sardinella zijn het afgelopen jaar zowel door de EU als door ons eigen ministerie van Ontwikkelingssamenwerking naar de prullenbak verwezen.



Adviezen in de LA

Het feit de Nederlandse overheid destijds zo tegenstribbelde bij de invoering van het noodzakelijke vangstverbod voor Noordzeeharing, valt volgens Corten enerzijds te verklaren uit het gebrek aan kennis en anderzijds uit het gebrek aan steun vanuit het bedrijf. ,,Pas nadat de Britten de visserij in hun wateren gesloten hadden, werd ik samen met de RIVO-directeur uitgenodigd voor een spoedoverleg met de secretaris-generaal van het ministerie. De top van het ministerie bleek totaal niet op de hoogte te zijn van de biologische adviezen die de voorgaande jaren waren uitgebracht; die waren door lagere ambtenaren allemaal in de la gelegd. En verder was het bedrijf niet bereid om vrijwillig te stoppen met de visserij zo lang er nog één haring rond zwom in de Noordzee. Nederlandse vissers beweerden daarom dat er nog zóveel haring in zee zat dat je ‘er over kon lopen’.

Daarnaast hebben overheden volgens Corten nog een praktisch argument om de zaak op zijn beloop te laten op het moment dat het helemaal misgaat met een visbestand. ,,Wanneer de zee helemaal leeg is, gaan de bedrijven massaal failliet en hoeft de overheid niet bij te springen met uitkoop- of stilligregelingen. Het is een cynisch argument, maar het wordt in de praktijk wel vaker gebruikt, onder andere door de Nederlandse overheid bij het voorstel tot invoering van ‘biologisch beheer’ in 1993.’’

Ad Corten in de krant in 1977.Ad Corten in de krant in 1977.


Websites

Corten is waarschijnlijk de enige visserijbioloog die beide situaties (Noordzeeharing zeventiger jaren en sardinella nu) in de werkpraktijk heeft meegemaakt, respectievelijk als toenmalig jongste lid van de ICES- haringwerkgroep, en nu als het oudste lid van de FAO-werkgroep voor pelagische vis in noordwest-Afrika. Volgens Corten luisterden de Mauritaniërs met belangstelling naar zijn verhaal, en heeft hij het via een bevriende journalist ook op enkele Mauritaanse websites weten te krijgen, in het Frans en in het Arabisch: http://cridem.org/C_Info.php?article=720447 en http://www.mourassiloun.com/node/6883