Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Onderzoeksproject Duurzaam Aalbeheer door Kennis

Palingvissers en wetenschappers zoeken samen naar verbeterd aalbeheer

WAGENINGEN - Duurzaam Aalbeheer door Kennis (DAK) is een belangrijk project voor netVISwerk vanwege de lang gekoesterde wens om op meer plaatsen dan alleen Friesland decentraal aalbeheer te kunnen toepassen. Maar om decentraal aalbeheer uit te kunnen rollen zullen vissers wel moeten weten wat de consequenties zijn van hun eventuele overstap van een visserij met drie maanden sluiting naar een visserij met een palingquotum. Het DAK-project probeert in de komende jaren die duidelijkheid te verschaffen door de ecologische en economische aspecten in kaart te brengen. Projectleider Magnus van der Meer geeft de stand van zaken weer.

Het DAK-project is een samenwerking van netVISwerk, DUPAN, Wageningen Marine Research, Wageningen Economic Research en het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ, Texel). DAK staat voor Duurzaam Aalbeheer door Kennis en wordt gefinancierd in het kader van de subsidieregeling Samenwerking Visserij en Wetenschap uit het Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij. Het DAK-project heeft als doel om ‘handen en voeten’ te geven aan het aalbeheer door aan te geven op welke manier de (beroeps)visser uitzet, intrek en onttrekking moeten combineren om te kunnen voldoen aan de eisen van het Nederlandse Aalbeheerplan.

De samenwerkende partijen in het DAK-project zijn zodanig gekozen dat zo veel mogelijk kennis over aalbeheer in Nederland aanwezig is. Het streven is om alle betrokken partijen zo goed mogelijk met elkaar te laten samenwerken door regelmatig met iedereen aan tafel te overleggen en resultaten van dat overleg ook direct toe te passen.

Onderzoekers en vissers vergaren samen kennis

De stuurgroep van DAK, bestaande uit vertegenwoordigers van de projectpartners, zet de grote lijnen uit en wordt daarbij ondersteund door wetenschappelijk medewerkers en vertegenwoordigers van de betrokken onderzoeksinstituten WMR, NIOZ en WEcR. De onderzoeksinstituten zijn binnen het project verantwoordelijk voor de opzet van het onderzoek.

Rode aal in kleine fuikjes, november, Suderpolder onder Franeker, samen met beroepsvisser Minne Boersma.Rode aal in kleine fuikjes, november, Suderpolder onder Franeker, samen met beroepsvisser Minne Boersma.

Bij de uitvoering van onderzoek op het water is de grootste rol weggelegd voor de beroepsvissers; zij hebben immers de kennis over locaties en seizoenen wanneer rode aal en schieraal het best te vangen zijn en met welk tuig. De beroepsvissers voeren dan ook de visserij uit voor de monitoring van het aalbestand en zorgen voor data over de onttrekking van de aal in verleden en heden.

Vervolgens wordt de door de vissers en onderzoekers verzamelde data, samen met door waterbeheerders aangeleverde data, door de onderzoekers gebruikt voor het modelleren van de ecologische en economische kanten van drie verschillende scenario’s voor aalbeheer. De drie scenario’s zijn: (1) doorgaan met de visserij met een gesloten periode van 3 maanden, (2) decentraal aalbeheer, dat wil zeggen visserij met een quotum en (3) visserij uitsluitend bedoeld voor beheer van de aalstand (bijvoorbeeld monitoring aalstand in gesloten gebieden, PODD-visserij etc.). PODD staat voor Paling Over De Dijk zetten.

Vier onderzoeksgebieden

Het DAK-project wordt uitgevoerd in vier wateren die typerend zijn voor een belangrijk deel van de Nederlandse wateren waarin aal opgroeit. Om de onderzoeksgebieden zo goed als mogelijk een afspiegeling te laten zijn van de aalhabitat in Nederland is er voor gekozen om twee wateren in de klei en twee in veengebied mee te nemen. Direct na de start in april vorig jaar is het project begonnen in de eerste gebieden. In mei werd met vertegenwoordigers van alle bij aalbeheer betrokken sport- en beroepsvissers en waterbeheerders bij de aalvisserij in Vinkeveen een bijeenkomst belegd om de bedoelingen en inhoud van het project te verduidelijken. In juni volgde een bijeenkomst voor alle betrokkenen bij de visserij in het Markiezaatsmeer. In beide gevallen kwamen zowel vissers als waterbeheerders met veel informatie en in Vinkeveen werd (en wordt) meegedacht door lokale sportvissers en door de duikvereniging. In beide wateren kon kort daarop dan ook gestart worden met de uitvoering van het project.

Workshop Westzaan. Van links naar rechts: Jeroen Los, Rik Beentjes (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier), Gijs Doeglas (gemeente Zaanstad), Karen Schilder (WMR), Piet Rol (Hengelsportvereniging Zaanstad), Han Walder (Apesca) en Wim Zaalmink (WEcR).Workshop Westzaan. Van links naar rechts: Jeroen Los, Rik Beentjes (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier), Gijs Doeglas (gemeente Zaanstad), Karen Schilder (WMR), Piet Rol ...

In Noord-Holland liep de eerste fase van het project minder voorspoedig doordat één van de aalvisrechthebbenden (géén beroepsvisser!) weigerde mee te werken. Toen het aan het eind van de zomer nog steeds onmogelijk bleek om in de Wieringermeer aan de slag te gaan werd besloten dit onderzoeksgebied te vervangen door de Suderpolder nabij Franeker. De Suderpolder is net als de Wieringermeer een kleigebied waar we van weten dat de paling er goed gedijt, omdat er al een paar jaren flinke hoeveelheden schieraal voor de gemalen is weggevangen in het kader van DUPAN’s PODD-programma. Door de goede samenwerking in Friesland tussen sportvisserij, beroepsvisserij en het Wetterskip in de Visstandbeheercommissie (VBC) was het mogelijk om binnen een paar weken (en notabene in vakantietijd) een overleg te organiseren en kort daarop kon ook hier het project starten.

Na het schrappen van de Wieringermeer was de weg ook vrijgekomen voor het andere gebied in Noord-Holland dat op ons verlanglijstje stond: de polder Westzaan. Met name beroepsvisser Jeroen Los, controleur Piet Rol (HSV Zaanstreek) en Rik Beentjes van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hebben zich ingespannen om het mogelijk te maken om daar zo snel als mogelijk met het DAK-project aan de slag te gaan.

Uitzet en intrek van jonge paling

Het succes van uitzet en intrek van jonge aal is wel een zeer cruciale factor in aalbeheer en daarmee ook voor het DAK-onderzoek. Door vertraging van de goedkeuring van de subsidie voor het DAK was de start van het project pas laat in het voorjaar. De geplande uitzet van jonge aal in 2018 werd daarom uitgesteld tot volgend jaar.

Wel is in de zomer van 2018 volop geëxperimenteerd met methodes voor het vangen van jonge paling. Zo werden fijnmazige spieringfuiken ingezet om de kleinere, ondermaatse aal te bemonsteren. De vangsten met deze fuiken waren weliswaar goed, maar de resultaten toonden ook aan dat de kleinere paling zich niet beter in een spieringfuik liet vangen dan in normale fuiken. In ondiep water bleken kleine fuiken goede vangsten van rode aal op te leveren tot in november toe. Echter, ook hier bleek ondermaatse paling moeilijk te vangen.

Schieraalvisserij

De kwaliteit van aalbeheer wordt vooral afgemeten aan de hoeveelheid schieraal die uit een gebied kan zwemmen om voor nageslacht te kunnen zorgen in de Sargassozee. Doordat in (het grootste deel van) Nederland de visserij in september, oktober en november gesloten is heeft de beroepsvisserij minder zicht op de huidige schieraalproductie. Veel aandacht van het project gaat daarom naar de schieraalvisserij.

De warme en rustige herfst van 2018 bood geen ideale omstandigheden voor de schieraalvisserij en de vangsten waren dan ook matig in de gebieden waar we in ‘het schieraalseizoen’ van half augustus tot 1 december gevist hebben. Voor Paul Boersma (Suderpolder) en de Vinkeveense vissers was dat vooral een teleurstelling, omdat voorgaande jaren daar bijna het dubbele was gevangen.

Scannen van schieraalvangst op gezenderde aal. Op de foto beroepsvisser Paul Boersma met controleur Adrie de Boer van Sportvisserij Fryslân.Scannen van schieraalvangst op gezenderde aal. Op de foto beroepsvisser Paul Boersma met controleur Adrie de Boer van Sportvisserij Fryslân.

Ook voor Peter Kooistra op het Markiezaatsmeer bleven de vangsten achter bij de verwachting, maar hij was daarnaast ook zeer verbaasd om te merken dat sinds 2009, toen hij daar voor het laatst viste in september tot en met november, de schieraalvangsten drastisch waren veranderd: van redelijk kleine aantallen dikke schieren naar veel hogere aantallen kleinere schieren.

Polder Westzaan was de uitzondering op de regel. Door de late start van het project daar startte de schieraalvisserij pas in december. Aan deze visserij ‘buiten het seizoen’ werd vooral groen licht gegeven om te pogen iets van de achterstand in monitoringsvisserij in dit gebied in te lopen. Echter, Jeroen Los kwam er al snel achter dat juist deze maand de schieraalvangsten uitstekend zijn.

Onderzoek schieraaltrek

In de Vinkeveense Plassen is, mede dankzij financiële bijdrage van waterbeheerder Waternet, al een aantal jaren voor PODD op schieraal gevist bij het belangrijkste gemaal van het gebied (De Ruiter). Jaap van Eeuwijk, Bert Klinkhamer en Henk Biesters zijn de vissers van het gebied en zij voeren de schieraalvisserij uit. Waternet doet ook onderzoek met camera’s bij verschillende sluizen die het gebied met omliggend (vaar)water verbindt om vast te stellen hoeveel aal via de sluizen naar buiten trekt. De visserij van herfst 2018 gaf ons de indruk dat schieralen die naar buiten willen vooral naar het noordoosten trekken richting gemaal De Ruiter en Demmeriksesluis en minder naar de noordwestelijk gelegen Proostdijersluis.

De schieraalvisserij in de onderzoeksgebieden is ook gebruikt om onderzoek te doen naar het succes dat schieralen hebben bij het verlaten van hun opgroeigebied voor vertrek naar zee. Schieralen uit de Suderpolder en het Marekiezaatsmeer zijn deze herfst door WMR gezenderd en weer zowel in als net buiten die wateren uitgezet. Door middel van stations geplaatst langs verschillende routes tussen uitzetlocatie en zee kan dan vastgesteld worden of de schieraal succesvol kan uittrekken of juist niet. Dit onderzoek loopt nog en de eerste resultaten worden volgend jaar verwacht.

Onderzoek naar de groei van de paling

Voor het nauwkeurig meten van de groei van paling in het buitenwater is in het Nederlandse klimaat eigenlijk een periode van vele jaren nodig. Daarvoor heeft het DAK-project geen tijd. Groeigegevens zullen dan ook moeten komen uit het gestarte onderzoek naar de samenstelling van de commerciële aalvangsten. Belangrijk daarbij is dat ook palingen uit de commerciële vangst worden gebruikt om ze te merken en terug te zetten. Bij terugvangst van gemerkte vis kan dan worden nagegaan wat de groei is geweest in de tijd tussen merken en terugvangen.

Zenderen van schieraal door Erwin Winter van WMR.Zenderen van schieraal door Erwin Winter van WMR.

Daarnaast hebben we vorig jaar in alle vier onderzoeksgebieden palingen van verschillende lengtes bemonsterd en ingevroren. Deze dieren worden in het laboratorium van de otolieten (gehoorsteentjes) ontdaan. Die worden opgestuurd naar Zweden waar experts de leeftijd van de palingen kunnen bepalen op basis van de ringen in de otolieten. Leeftijd, samen met de gegevens over lengte en gewicht van de paling kunnen een goed inzicht geven in de groei van palingen in de verschillende gebieden gedurende een lange periode; de bemonsterde schieralen van boven de 70 cm hebben naar verwachting meer dan 10 jaar in het Nederlandse binnenwater rondgezwommen.

DAK-activiteiten in 2019

Voor het slagen van het onderzoek is het van groot belang beter te weten hoe jonge aal groeit en overleeft in de eerste jaren na aankomst in het zoete water. Daarvoor is het essentieel dat begin 2019 gemerkte jonge alen in de gebieden worden uitgezet. Er wordt nog nagedacht over hoeveelheden, grootte van de uit te zetten jonge aal (glasaal of pootaal) en de manier waarop ze een merkje moeten krijgen.

Na het uitzetten volgt een nog grotere uitdaging voor het project: worden er genoeg kleine aaltjes teruggevangen in de zomers van 2019 en 2020? Per gebied zijn tenminste enkele tientallen teruggevangen kleine (ondermaatse) palingen nodig. Elke visser heeft in elk gebied wel al ideeën hoe dat het best kan gaan gebeuren. Wat in ieder geval op het programma staat is elektrovisserij in voorjaar en vroege zomer, visserij met gewone fuiken met dichte ringen of spieringkubben en een experiment met beaasde palingkorven of palingkistjes.

Communicatie

Alle tijdens het DAK-project opgedane kennis zal worden gepresenteerd op een afsluitend symposium in het eerste kwartaal van 2021.

Voor die tijd houden we echter graag iedereen op de hoogte door regelmatig de vorderingen te melden in Visserijnieuws, maar ook via de website van het project: www.dak-project.nl.



Evaluatie en vooruitblik



IJMUIDEN - Na de workshops bij de start van het project in de vier onderzoeksgebieden was het eind vorig jaar tijd om met alle projectdeelnemers samen te komen om de activiteiten van 2018 te evalueren en vooruit te kijken naar 2019. Hieronder wat conclusies van deze bijeenkomst op 28 november bij WMR in IJmuiden.

- Werkmethodes beter vastleggen

De kracht van dit project zit hem in de samenwerking tussen vissers en wetenschappers. Dat is nieuw en soms even wennen. Zo willen onderzoekers liefst zo veel mogelijk data voor zo solide mogelijke conclusies. Vissers kijken daar wat praktischer tegen aan: meten is ook voor hen weten, maar het kost ook tijd. En met warm weer, zeker in zo’n absurd warme zomer als 2018, is de paling erg actief, daardoor moeilijker te meten, verliezen sneller hun slijmlaag en krijgen door ‘het gedoe’ vlekken op de huid. Van de vissers kwamen dan ook suggesties om meer steekproefsgewijs vangsten te meten. En met heel warm weer is het misschien beter de palingen snel in lengtegroepen van 10 cm op te delen dan elk individuele lengte op de cm nauwkeurig te meten. Deze suggesties zullen samen met de eisen van de onderzoekers uitmonden in het opstellen van aangepaste richtlijnen (protocollen) voor de visserij in 2019.

- Mening van de deelnemers

Bij de evaluatie werd gevraagd wat betrokkenen nu van het project vinden. Het gemêleerde gezelschap gaf ook een heel scala van beweegredenen op om mee te doen: Beroepsvisser Jeroen Los wil vooral blijven vissen en hoopt dat het project kansen biedt om dat op een zo goed mogelijke manier te blijven doen. Bestuurder Jon Visser noemt het project van belang om decentraal aalbeheer uit te kunnen rollen over Nederland. Onderzoeker Jaap van der Meer noemt het een kans om meer inzicht te krijgen in groei van paling in verschillende gebieden in afhankelijkheid van de verhouding mannetjes en vrouwtjes in de palingpopulatie. Waterbeheerders Rik Beentjes (Noord-Holland) en Angelique van Vught (Brabantse Delta) zijn eigenlijk alleen nog maar betrokken geweest tijdens de workshop bij de start van het project. Beiden geven aan dat ze goede hoop hebben dat het project ook hen van nuttige informatie kan voorzien om hun waterbeheer beter af te stemmen op het aalbeheer.

Jaarlijkse evaluatie

Het samenwerken tussen wetenschappers en vissers lijkt binnen het DAK-project zeker zijn vruchten af te werpen. Eind volgend jaar is het dan ook de bedoeling weer met zo veel mogelijk projectdeelnemers bijeen te komen voor evaluatie afgelopen en planning komend jaar.