Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Gevolgen ITQ centraal op NAFHA-congres

Overdraagbare quota leiden tot spanning

REYKJAVIK - Op het congres van de North Atlantic Fisheries History Association (NAFHA) in Reykjavik, afgelopen week, stonden de ontwikkelingen van de laatste veertig jaar centraal. Een twintigtal visserij-historici uit zeven landen bogen zich over de gevolgen van overheidsbeleid. Onder hen een prominente gastspreker: IJslands staatshoofd, president Guðni Th. Jóhannesson. Frits Loomeijer uit Rotterdam was aanwezig en doet verslag.

Jóhannesson, tot zijn verkiezing tot president in 2016 hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van IJsland in Reykjavik, maakte naam met verschillende publicaties over de kabeljauwoorlogen tussen IJsland en Groot-Brittannië in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Hij opende het congres als keynotespreker met een indringend verhaal over de relatie tussen visserij, nationalisme en patriottisme.

Zoals iedere IJslander van zijn generatie groeide Jóhannesson (51) op met het idee dat zijn land, door als één man achter de vissers voor een rechtvaardige zaak te staan, die kabeljauwoorlogen gewonnen heeft. Twee neven voeren op de legendarische kustwachtkotters die de trawldraden van de Engelse trawlers doorsneden. Zij speelden een hoofdrol in het conflict dat uiteindelijk, in 1976, resulteerde in het wereldwijd instellen van een 200-mijlszone.

Maar waren daarmee de kabeljauwoorlogen voorbij?, zo vroeg Jóhannesson zich vorige week af. Het sentiment is namelijk nog springlevend. In een van zijn boeken stelt en beantwoordt hij een aantal vragen, zoals: was dit visserijconflict daadwerkelijk een oorlog? Stonden de IJslanders als één man achter de zaak en waarom won IJsland eigenlijk? Normale vragen die een historicus zich dient te stellen. De antwoorden vielen niet bij iedereen in goede aarde. Het conflict was namelijk geen echte oorlog, binnenlandse politiek speelde een grote rol, IJslanders waren in die jaren verdeeld over de kwestie en de 200-mijlszone is er vooral gekomen in het kader van de Koude Oorlogsverhoudingen.

Feitelijkheden die Jóhannesson niet in dank werden afgenomen. Vooral niet na de bankencrisis van 2008. Nationalistisch sentiment speelde op nu met name vanuit Groot-Brittannië maar ook vanuit ons land stevige kritiek op IJsland werd geuit nadat velen gedupeerd waren door het omvallen van Icesafe. Sommigen beschuldigden hem niet loyaal te zijn aan zijn land…

De kabeljauwoorlogen worden in IJsland nog altijd gebruikt als instrument voor nationale eenheid en nationalistische tendensen.

Jóhansson hierover: ,,De behoefte aan het nationale verhaal begrijp ik. Visserij is onze nationale industrie. Patriottisme is dan ook okay, maar nationalisme is dat niet.’’

Jóhannesson maakt zijn punt op het NAFHA congres: nationale identiteit behoort samen te gaan met ruimdenkendheid. Patriottisme is okay, nationalisme is dat niet.Jóhannesson maakt zijn punt op het NAFHA congres: nationale identiteit behoort samen te gaan met ruimdenkendheid. Patriottisme is okay, nationalisme is dat niet.

ITQ

Historici uit zeven landen hielden zich vervolgens twee dagen bezig met de recente geschiedenis van de Noord-Atlantische visserij. Daarbij ging het veel over het gastland IJsland. Niet verwonderlijk, gezien het belang van de vissector die al jaren rond de 25 procent bijdraagt aan het bruto nationaal product. Sinds de invoering van het quotasysteem is er veel veranderd. Vrijwel alle visbestanden in de IJslandse EEZ staan er goed voor. Ontegenzeggelijk een resultaat van dat systeem. Maar de overdraagbaarheid van quota heeft geleid tot een vergaande concentratie. Bezaten de 25 grootste quotahouders in 1991 samen 36 procent van het totale quotum, in 2014 was dit 65 procent. De grootste quotahouder bezat in dat jaar 10 procent van het nationale quotum.

Dr. Matthias Kokorsch van het University Centre of the Westfjords in Ísafjörður, maakte duidelijk dat dit onbedoeld heeft geleid tot enorme verschuivingen in de lokale vissersgemeenschappen. Was voor 1990 de invloed op beleidsbeslissingen min of meer gelijk verdeeld over belanghebbenden; quotahouders, bemanningen, visverwerkers, wetenschappers en overheid (beleidsmakers en -handhavers), nu hebben quotahouders en visverwerkers verreweg de meeste invloed. Het proces dat die twee in een hand komen, zet steeds verder door. Dit leidt tot grootschaligheid en het verdwijnen van de kleinere visserijgemeenschappen langs de kust, met alle spanningen van dien.

De nationale overheid bepaalt uiteindelijk het visserijbeleid en bij iedere parlementsverkiezing is dat beleid het hoofdonderwerp van discussie. Dr. Hoerdur Sævaldsson van de Universiteit van Akureyri stelde dan ook: ,,Alle IJslanders praten over de visserij. Iedereen heeft er verstand van.’

Zoals in Nederland Brussel als hoofdschuldige wordt gezien van alles wat moeilijk of mis is in de visserij, zo is dat op IJsland de eigen regering. Sterker nog, veel IJslanders verwijten de regering hun land buiten de EU gehouden te hebben waardoor het al decennia de substantiële subsidies uit Europa misloopt. Tegelijkertijd kunnen maar weinigen zich voorstellen dat hun 200-mijlszone, waarvoor zo lang ‘gevochten’ is, open staat voor buitenlandse vissers.