Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Biografie Cornelis Lely

Ingenieur van het nieuwe land en de verdwenen zee

CASTRICUM - Cornelis Lely was de man van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. De nieuwe biografie ‘Cornelis Lely, ingenieur van het nieuwe Nederland’ laat ook zien dat hij als liberaal minister baanbrekende wetgeving aangenomen wist te krijgen. Cees Banning schreef een biografie.

Dit jaar is het een eeuw geleden dat de Zuiderzeewet werd aangenomen. De Zuiderzeewerken hebben het beeld van Nederland drastisch veranderd. De afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee waren het levenswerk van ingenieur Cornelis Lely. Zonder hem zou er in 1932 geen Afsluitdijk – en geen IJsselmeerpolders – zijn gekomen. Maar hij had meer verdiensten.

Lely was aan het begin van de twintigste eeuw minister in drie kabinetten die veel veranderingen in de samenleving tot stand hebben gebracht en hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de huidige infrastructuur van Nederland, sociale rechtvaardigheid en economische groei. Lely wist als sociaal bewogen, liberaal minister de Ongevallenwet door het parlement te loodsen (1901), een exploitatiewet Staatsmijnen (1901), de Nationalisatiewet PTT (1913), tot en met de Phosphorluciferwet (1901) die vervoer en verkoop van deze zelfontbrandende vuurmakers aan banden legt.

Lely was een man van zee en polder. Het lijstje ‘Lely-wetten’ bevat dan ook veel water-gerelateerde onderwerpen: wetten tot verbetering van drie kleinere rivieren in Gelderland (1892) en het Noordzeekanaal (1899), voor de aanleg van de Scheveningse vissershaven (1899), een Waterstaatswet (1900), en als klap op de vuurpijl de Zuiderzeewet (1918), die zou leiden tot het afdammen en grotendeels inpolderen van de overstromingsgevaarlijke Zuiderzee.

Makkum, Harderwijk, Marken, Diemerdam – de kustbewoners in de dorpen, steden, eilanden en buurtschappen hadden een haat-liefdeverhouding met de binnenzee. Eeuwenlang bestonden er vaarroutes over de Zuiderzee waarvan de vrachtvaart intensief gebruikmaakte. De visserij was een belangrijke bron van inkomsten voor de bewoners bij de Zuiderzee. Maar bij storm beukten de golven op de kust, waarbij soms de kustverdediging brak en de ‘waterwolf’ het land overspoelde, slachtoffers maakte en grote schade veroorzaakte. Bekend is de Zuiderzeestormvloed van 1916.

Voordat Cornelis Lely zijn plan ‘Afsluiting en Gedeeltelijke Droogmaking der Zuiderzee’ publiceerde, waren vele ingenieurs en andere deskundigen hem voorgegaan met plannen om de Zuiderzee af te sluiten en geheel of gedeeltelijk in de polderen. Lely’s plan was niet nieuw. Hendrick Stevin opperde al in 1667 de zeegaten tussen de Waddeneilanden af te dammen. Lely’s grote verdienste is geweest dat hij alle plannen die waren gepubliceerd over de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee intensief heeft bestudeerd. Vervolgens heeft hij al die plannen tot een realistisch scenario uitgewerkt op basis van gedegen onderzoek.

Halfstok

In 1932 kwamen de kranten – toen de Vlieter, het laatste gat van de Afsluitdijk, werd afgesloten – superlatieven tekort. ,,In onze historie is de strijd tegen de zee een onafgebroken epos,’’ schreef het Algemeen Handelsblad. ,,De 28ste Mei 1932 zal in de analen daarvan een ereplaats innemen. Een monument van kracht, wetenschappelijk vermogen en volharding, onder de moeilijkste omstandigheden voortgekomen uit ons volk.”

Het Vaderland gooide er nog een schepje bovenop. „De hoeden af! De vlaggen uit! Allen verenigd in een krachtig eenshun gezind Hoezee.” De journalist van het Algemeen Handelsblad bezocht ook de haven van Wieringen. „Maar op de Wieringer, Volendammer en Urker botters in de haven van Den Oever hing de vlag halfstok. De visschers deelden niet in de vreugde van den dag; zij treurden, om het afsterven der Zuiderzee.”

Bij de behandeling van zijn Zuiderzeewet had minister Lely gezegd dat er een compensatieregeling voor de vissers zou komen. Dat werd de Zuiderzeesteunwet (1925): vissers die werkloos waren geworden doordat de overheid de zee had laten verdwijnen, konden een kleine uitkering krijgen. In tegenstelling tot wat men eerder had beloofd, werd vissers alleen steun, gebaseerd op de armenwet, toebedeeld. Dit betekende dat er maar bitter weinig overbleef van hun ‘recht op schadeloosstelling’.

In veel vissersdorpen voelde dat als een vernedering: visserman was een eerzaam beroep, en dat kon nu ingeruild worden voor een bestaan als steuntrekker. Tot op vandaag, zegt Willem van Norel – telg uit een geslacht van Elburgse vissers – heerst in de voormalige vissersplaatsen verdriet om de manier waarop de Zuiderzeevissers zijn behandeld. ,,Minister Lely had ooit gezegd dat aan dit grootse werk geen smet mocht kleven. Dat hebben de Elburger vissers helaas anders ervaren.’’

Op dit moment leven er naar schatting ongeveer 150 vissersgezinnen van de IJsselmeervisserij. Direct na de afsluiting in 1932 zijn er zo’n 700 bedrijven gestopt. Van de ruim 2.000 schippers met een vaartuig waren er in 1936 nog ongeveer 1.350 overgebleven. Maar het drama was voor de IJsselmeervissers na de afsluiting nog niet voorbij. Tussen 1936 en 1968 worden er drie polders drooggelegd en daarmee gaan rijke visserijgronden verloren. De dijken van de Noordoostpolder (1942) sluiten de vissershavens Kuinre, Blokzijl, Vollenhove, Zwartsluis en Genemuiden af van open water. Het eiland Urk krijgt een verbinding met de vaste wal. De ontsluiting betekent daar een nieuwe impuls voor het (Noordzee)visserijbedrijf. Het transport van vis gaat voortaan over land. De drooglegging van Oostelijk Flevoland (1957) berooft de vissers van Kampen, Elburg en Harderwijk van hun visgebied. Vervolgens sluit de polder Zuidelijk Flevoland (1968) ook de vissershavens Harderwijk, Bunschoten-Spakenburg en Huizen af van open water, alleen via smalle randmeren zijn de havens nog toegankelijk, maar het visgebied is ver weg.

Vismigratierivier

Maar – honderd jaar nadat was besloten om de Zuiderzee volledig af te sluiten – gloort er misschien weer wat hoop voor de vis en visserij: er wordt een gat in de Afsluitdijk gemaakt. Volgend jaar wordt begonnen met de bouw van een zogenoemde vismigratierivier, een gat in de Afsluitdijk waardoor Waddenzee en IJsselmeer weer permanent met elkaar zijn verbonden.

De Afsluitdijk zorgde in 1932 voor verbetering van de veiligheid en een economische impuls, maar was ook een ecologische ramp. De Zuiderzee en de Waddenzee werden abrupt van elkaar gescheiden. Trekvissen die voor eenshun voortplanting migreren tussen zoet en zout water, stootten vanaf dat moment letterlijk hun neus tegen de dijk. Direct na de afsluiting zagen vissers hoe de haring massaal kuitschoot tegen de nieuwe dijk en hoe het kuit vruchteloos lag te verdrogen in de zon. Nog enkele jaren verschenen haring en ansjovis aan de Waddenzijde van de dijk. Toen verdwenen deze vissoorten voorgoed. En het gaat al jaren slecht met trekvissen als aal, zalm, zeeforel, bot, zeeprik en spiering.

Een meer geleidelijke overgang tussen zoet en zout is belangrijk voor een succesvolle migratie. Verwacht wordt dat miljoenen vissen de passage gaan gebruiken. Zeeforel, fint (ook wel bekend als de gestipte reuzenharing) en rivierprik die in de rivieren paaien, maar verder in zout water leven; paling en bot die precies het omgekeerde doen. Het zoute zeewater stroomt straks ongehinderd door de Afsluitdijk; de stormvloedkering die in de dijk wordt aangebracht gaat alleen dicht als dat voor de veiligheid noodzakelijk is. Het nieuwe gat in de dijk biedt trekvissen straks weer een vrije noord-zuiddoorgang. De andere kant op was nooit een probleem. De vissen die in het IJsselmeer zwemmen, kunnen zich naar buiten laten voeren met het overtollige binnenwater dat de spuisluizen met regelmaat op de Waddenzee lozen.

Het project Vismigratierivier Afsluitdijk, kosten 55 miljoen euro, behelst meer dan het doorboren van honderd meter basalt en beton. Zodra de vissen door de passage zijn, zwemmen ze aan de IJsselmeerkant in een compleet nieuw natuurgebied, met riet, waterplanten en een kronkelende getijdenrivier. Met elke vloed van de Waddenzee stroomt zout water dit estuarium binnen waarop de vissen kunnen meeliften. De Zuiderzeewerken worden voortdurend aangepast aan de eisen van de tijd. De ambitie is dat ‘het gat in de dijk’ bijdraagt aan een gezonde visstand, een vitaal ecosysteem, en duurzame visvangst voor de IJsselmeervissers.

Titel: Cornelis Lely, ingenieur van het nieuwe Nederland
Auteur: Cees Banning, in samenwerking met Ed Voigt
Uitgever: Pharos uitgevers
ISBN: 978-90-79399-99-4
Prijs: 29,90 euro
Pagina’s: 288

Het boek ligt in de boekhandel en is ook te bestellen bij Pharos uitgevers (http://pharosuitgevers.nl) en bol.com (https://www.bol.com/nl)

,,Dit boek geeft een mooi beeld van Cornelis Lely, de periode waarin hij leefde en zijn nalatenschap. Een zeer leesbare en secure biografie.’’

Jan Lely, voorzitter Cornelis Lely Stichting.