Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
De heldere adviezen van een legendarische commissie

Het Tinbergenjaar en de zeevisserij

ROTTERDAM - Vijftig jaar geleden ontving Jan Tinbergen de Nobelprijs voor economie. De eerste die ooit werd uitgegeven. Nog altijd is zijn werk van belang. Daarom wordt dit jubileum gevierd met ‘Het Tinbergenjaar’. Professor Tinbergen bemoeide zich ook met de visserij. Twee jaar lang gaf hij leiding aan de Commissie Sanering Zeevisserij. In 1952 verscheen het rapport van wat, in de sector en toenmalige politiek, ‘de Commissie Tinbergen’ is gaan heten.

Al voor de Tweede Wereldoorlog verkeerde onze visserij in een zorgwekkende toestand. De haringsector, verreweg het grootste deel van zowel de vloot als de handel, was een flink deel van zijn markt verloren. Vooral door protectionisme van de vanouds belangrijkste markten. Afgezien van hoge importtarieven was met name Duitsland bezig om na de Eerste Wereldoorlog een hypermoderne logger- en diepzee-trawlervloot op te bouwen.

Foto: Hollandse Hoogte - Prof. dr. Jan Tinbergen (1903-1994) ontvangt in 1969, samen met de Noor Ragnar Frisch, de eerste Nobelprijs ooit als grondlegger van de econometrie en voor het ontwikkelen van economische modellen. Zijn baanbrekende werk is vandaag de dag nog zo actueel dat nationale instellingen zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Centraal Planbureau (CPB), de Sociaal Economische Raad (SER), de Nederlandse Bank en de Erasmus Universiteit Rotterdam 2019 hebben uitgeroepen tot het Tinbergen Jaar. Dat wordt onder andere gevierd met lezingen, congressen en publicaties.Foto: Hollandse Hoogte - Prof. dr. Jan Tinbergen (1903-1994) ontvangt in 1969, samen met de Noor Ragnar Frisch, de eerste Nobelprijs ooit als grondlegger van de econometrie en voor het ...

In de jaren dertig waren de Duitse vloot en verwerkingsindustrie het toenmalig grootste visserijland ter wereld, Groot-Brittannië, op technisch gebied al voorbij. Onze tweede- en vaak derdehands trawlers in IJmuiden en de snel verouderende loggers uit Vlaardingen, Scheveningen en Katwijk, staken maar magertjes af bij de Duitse nieuwbouwvloot. Vervolgens kwam daar de Tweede Wereldoorlog overheen. Hiermee ging een aanzienlijk aantal schepen, doorgaans de beste, verloren.

LEI-rapport

Na de oorlog heeft Europa honger. Alles wat vissen kan wordt (weer) in de vaart gebracht en met name op de Noordzee zijn de vangsten overvloedig. In 1947-’48 is dat feest echter al weer voorbij. Maar voedselvoorziening blijft een actueel probleem. Veel levensmiddelen zijn al vanaf de herfst van 1939 op de bon, en de laatste producten worden pas in 1952, dertien jaar later, vrijgegeven.

Na de bevrijding in 1945 krijgt het ministerie van Landbouw en Visserij dan ook de toevoeging ‘Voedselvoorziening’ in zijn naam. De sociaal-democraat Sicco Mansholt wordt daarvan de minister.

Een jaar later krijgt het LEI (Landbouw Economisch Instituut) een aparte afdeling visserij onder leiding van de zeer actieve directeur A.G.U. Hildebrandt. Die constateert in de eerste van de nog altijd bekende reeks LEI-raporten over de visserij, dat de bedrijfstak er beroerd aan toe is. Niet alleen het haring- en trawlsbedrijf, maar vooral ook de kustvisserij. Schepen zijn verouderd, het opleidingsniveau van de vissers is laag en de kapitaalmarkt om te investeren is ontoegankelijk voor de sector als geheel. Er moet wat gebeuren. Maar wat?

De IJM 219 ‘Shamrock’ van de VEM is een goed voorbeeld van de verouderde trawlervloot in de jaren vijftig. Gebouwd als stoomtrawler in 1901 in North Shields voor Engelse rekening, komt het schip vijf jaar later naar IJmuiden. Het overleeft twee wereldoorlogen en wordt in 1948 omgebouwd tot motortrawler met een zes-cilinder 400 pk Werkspoor. Met dat vermogen en nog geen 32 meter lengte kon je met dit soort schepen alleen Noordzeereisjes maken. De IJM 219 ‘Shamrock’ van de VEM is een goed voorbeeld van de verouderde trawlervloot in de jaren vijftig. Gebouwd als stoomtrawler in 1901 in North Shields voor Engelse rekening, komt het ...

Zwaargewicht

Daarom stelt minister Mansholt in september 1950 de Commissie Sanering Zeevisserij in. Deze krijgt tot taak advies uit te brengen aangaande de vraag, welke maatregelen kunnen worden getroffen, ten einde te geraken tot gezondmaking van het zeevisserijbedrijf’. Maar liefst negentien personen, bijna allemaal uit de vissserijwereld, worden gevraagd zitting te nemen in de commissie. Ambtenaren, zoals de directeur Visserijen G.J. Lienesch, trawler- en haringreders als J.C. Pronk, W. Polderman (IJmuiden) en J. van der Toorn Azn (Scheveningen), Tweede Kamerlid J. Brautigam en Riekelt Brands als voorzitter van de Nederlandse Vissersbond, zijn bekende kopstukken in die tijd. Maar ook Hildebrandt vanuit het LEI en H.A.H. Boelmans Kranenburg, de bekende secretaris van de Stichting van de Nederlandse Visserij, zitten er in.

Mansholt vraagt zijn PvdA-partijgenoot Prof. Dr. Jan Tinbergen om deze grote club voor te zitten. Daarmee haalt hij een zwaargewicht in huis. Tinbergen, op dat moment 47 jaar oud, maakt in de jaren dertig al naam als jong econoom. Op zijn 26e promoveert hij in de wis- en natuurkunde, vier jaar later is hij hoogleraar statistiek aan wat toen nog de Nederlandsche Economische Hoogeschool heet, de huidige Erasmus Universiteit Rotterdam. Daarnaast werkt hij voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en adviseert hij de Volkenbond, de voorloper van Verenigde Naties. In 1945 wordt hij als mede-oprichter de eerste directeur van het Centraal Planbureau (CPB), nog altijd het belangrijkste adviesorgaan van de Nederlandse regering.

Aanbevelingen

De commissie verzamelt om te beginnen een grote hoeveelheid informatie over de samenstelling van de vloot, de vangsten, de opbrengsten per vangstgebied en vissoort, im- en export, etc. En dat niet alleen van ons land, maar ook van de ons omringende visserijlanden en afzetgebieden.

Het is niet de eerste keer dat er vanuit de overheid naar de visserij wordt gekeken. In 1929 en 1931 bestuderen staatscommissies de situatie van respectievelijk de haring- en trawlvisserij. Maar het is wel voor het eerst dat een modern wetenschapper de leiding krijgt in een dergelijk onderzoek.

Begin jaren vijftig steekt het merendeel van de Nederlandse haringvloot pover af bij de veel jongere Duitse vleetloggers, zoals AE 9 Stettin van Grosser Kurfürst Heringsfischerei GmbH uit Emden. Ontworpen als motorlogger en gebouwd in 1939 heeft dit schip een ruime accommodatie in het gesloten achterschip, elektriciteit, radio en radiorichtingzoeker. De Nederlandse stoomloggers varen dan nog met carbidverlichting.Begin jaren vijftig steekt het merendeel van de Nederlandse haringvloot pover af bij de veel jongere Duitse vleetloggers, zoals AE 9 Stettin van Grosser Kurfürst Heringsfischerei GmbH uit ...

Alhoewel bijna zeventig jaar oud, doet het rapport van de commissie nog altijd adequaat aan. Op basis van uitgebreide analyses die begrijpelijk worden uitgelegd, komt de commissie tot heldere aanbevelingen. De haringvloot is dringend aan nieuwbouw toe. Niet alleen vistechnisch, maar zeker ook waar het de accommodatie voor de bemanning betreft. Op de meeste schepen is die volstrekt onaanvaardbaar. Datzelfde geldt voor de trawlervloot uit IJmuiden.

Maar het droevigst is de kustvisserij eraan toe. Houten zeilscheepjes, vaak tientallen jaren oud met een tweedehandse hulpmotor, domineren de bedrijfstak. In de garnalenvisserij zijn het vaak verbouwde, ijzeren beurtbootjes, gebouwd voor de binnenwateren. Er moet een uitgebreid nieuwbouwprogramma komen, om deze vloot in een paar jaar tijd in zijn geheel te vervangen. Voorlichting en vakonderwijs moeten het algemene kennispeil van de vissers op een hoger niveau brengen, met name op het gebied van bedrijfsvoering en administratie.

Visserijbank

Op basis van internationale vangstgegevens sinds 1934 toont het rapport aan dat de Noordzee overbevist is wat betreft rond- en platvis. De IJmuider trawlervloot zal andere gebieden moeten opzoeken, wil zij toekomst hebben. Bovendien heeft de overbevissing door de trawlervloot een negatief effect op de kustvisserij.

De Commissie beveelt aan een verre visserij te ontwikkelen naar Duits model. Dus richting IJsland, Groenland en de Barentszzee. Daarvoor is, net als voor de modernisering van de kustvisserij, overheidssteun nodig, met name voor de bouw van nieuwe schepen. Ons land kent op dat moment slechts een handvol zogenaamde IJslandtrawlers die de afmetingen en het machinevermogen hebben om dat werk te kunnen doen.

Voor alle sectoren geldt dat er een grote behoefte is aan investeringskapitaal. De commissie pleit dan ook voor de oprichting van een Visserijbank naar Scandinavisch model. In hedendaagse termen, een publiek-private bank voor het verstrekken van lang kapitaal.

Als vervanging van de verouderde botters, blazers en hoogaarzen van de kustvisserij heeft de Commissie Tinbergen scheepjes als de IJM 248 ‘Cornelis’ voor ogen. Deze kotter wordt in 1946, voorzien van een 105 pk Werkspoor, gebouwd bij Petrus Verras in Paal voor de Nederlandsche Visscherij Maatschappij (Nevima). Zij vaart later als HD 184 van L. Griek.Als vervanging van de verouderde botters, blazers en hoogaarzen van de kustvisserij heeft de Commissie Tinbergen scheepjes als de IJM 248 ‘Cornelis’ voor ogen. Deze kotter wordt in 1946, ...

Overheidsbeleid

Het zijn deze twee aanbevelingen, een moderne verre visserij en een publiek-private investeringsbank, waar de Commissie Tinbergen bekend om is geworden. In feite pleit Tinbergen voor een actieve en sturende overheid met betrekking tot de bedrijfstak. Net als in de ons omringende landen, die ook nog eens onze voornaamste exportmarkten zijn. Hoe succesvoller zij moderniseren, en West-Duitsland en België doen dat in hoog tempo, hoe nadeliger dat voor ons is.

Toch worden deze aanbevelingen niet opgevolgd. Zowel overheid als sector laten het zitten, zo lijkt het. Dat is vreemd, want in de wederopbouwjaren voert de Nederlandse overheid wel degelijk een actief stimuleringsbeleid op vele gebieden. Sicco Mansholt is daar als landbouwminister zelfs beroemd om geworden en later, als Eurocommissaris heeft hij dat beleid nog jaren voortgezet.

Een specifieke visserijbank komt er nooit en wat betreft de verre visserij blijft het in de jaren vijftig en zestig bij een aantal experimentele reizen. Deze worden vanaf 1954 met overheidssubsidies mogelijk gemaakt. De opzet van deze ‘pilots’ is echter kleinschalig. Het gaat per keer om een of twee schepen die slechts een paar reizen maken. Wanneer die verliesgevend blijken te zijn steken de reders er ook geen geld meer in. Zo blijft ons land in die periode aan de zijlijn staan van de internationale ontwikkelingen in de trawlvisserij.

Foto: Nederlandse Vissersbond - Voorzitter van de Nederlandse Vissersbond (1947 – 1964) Riekelt Brands neemt een minderheidsstandpunt in met betrekking tot de maaswijdtekwestie.Foto: Nederlandse Vissersbond - Voorzitter van de Nederlandse Vissersbond (1947 – 1964) Riekelt Brands neemt een minderheidsstandpunt in met betrekking tot de maaswijdtekwestie.

Tong I en II

Met betrekking tot de overbevissingsproblematiek op de Noordzee adviseert de commissie om de internationaal vastgestelde maaswijdtebeperking van acht centimeter te verplichten. Al in 1937 vindt de ‘London Convention for the Regulation of the Meshes of Fishing Nets and the Size Limits of Fish’ plaats. Hier besluiten zo goed als alle landen die op de Noordzee actief zijn tot een minimum maaswijdte van zeven centimeter voor ‘trawlvis’, met name kabeljauw en schelvis. Nederland volgt dit nog hetzelfde jaar bij Koninklijk Besluit.

In de oorlog echter, houdt niemand zich hier meer aan en de Britse regering organiseert in 1946 opnieuw een conferentie om de maatregel nieuw leven in te blazen. Daar komt een nog strenger resultaat uit de bus: acht centimeter. Het duurt een paar jaar voordat alle landen dit besluit accepteren. Nederland is een van die trage volgers en de Commissie Tinbergen dringt aan op snelle ratificatie. Echter, niet alle commissieleden kunnen hierin meegaan.

In tegenstelling tot de haring- en trawlerreders, is de Nederlandse Vissersbond bij monde van voorzitter Riekelt Brands fel tegen. Dat leidt tot een ‘minderheidsnota’ die aan het rapport van de commissie wordt toegevoegd, waarin hij de vooroorlogse zeven centimeter bepleit omdat met een grotere maaswijdte de ‘zo zeer begeerde tong I en II niet meer aangevoerd zal worden’. De kustvissers kunnen die inkomsten niet missen, aldus Brands.

LEI-rapporten

Alhoewel de twee belangrijkste aanbevelingen van de Commissie Tinbergen nooit realiteit geworden zijn, heeft het rapport uit 1952 grote invloed gehad. Het inzicht in de sector door de wetenschappelijke aanpak zette de visserij wel degelijk op de kaart. Zoals beschreven leidde dit tot politieke besluiten en de verstrekking van subsidies. Weliswaar te weinig om internationaal een vooraanstaande rol te spelen in de jaren vijftig, begin zestig, maar wel degelijk bijdragend aan vernieuwing van de sector.

De Nederlandse trawlervloot kent rond 1952 slechts een handvol schepen die geschikt zijn voor de verre visserij, zoals de IJM 24 ‘Vios’ van de VEM. Onder Nederlandse vissers bestaat trouwens  weinig animo voor lange reizen naar de koude en onherbergzame wateren rond IJsland en Noord-Noorwegen. De Nederlandse trawlervloot kent rond 1952 slechts een handvol schepen die geschikt zijn voor de verre visserij, zoals de IJM 24 ‘Vios’ van de VEM. Onder Nederlandse vissers bestaat trouwens ...

Het daadwerkelijke onderzoek van de commissie werd niet uitgevoerd door voorzitter Tinbergen zelf, maar door het LEI onder leiding van visserij-afdelingshoofd Hildebrandt. In het Tinbergen-rapport herken je de opzet en stijl van diens eerste twee rapporten uit de jaren veertig. Hiermee bewees het LEI de kracht van onderzoek naar, en kennis van de bedrijfstak. Zowel naar de overheid als naar de sector zelf. Het Tinbergen-rapport kun je dan ook beschouwen als een voorloper van de talloze Mededelingen en Rapporten die het LEI sindsdien, tot op de dag van vandaag en sinds enkele jaren onder de vlag van Wageningen Economic Research, publiceert.


Frits Loomeijer