Afbeelding
OMV

Wrak HD 108 na tachtig jaar gevonden

Algemeen

DEN OEVER – Bijna tachtig jaar na de ramp is het wrak van de HD 108 ‘Uit Gunst Verkregen’ teruggevonden. De kotter verging in juli 1945 boven Schiermonnikoog als gevolg van een mijnexplosie.

,,Honderd procent zeker’’, zegt Cees Meeldijk van de dit jaar opgerichte stichting Onderzoek Maritieme Vermisten (OMV). Meeldijk bezocht eerder deze week Jaap Slot (de enige zoon van schipper Jacob Nan Slot) en Kees Lips (zoon van de bij de ramp omgekomen motordrijver Jan Lips), en overhandigde hen enkele opgedoken spullen van de HD 108. 

Bij de ramp met de Helderse kotter vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog raakten de matrozen Okke Bais en Engelbertus Zwaan vermist; die twee werden nimmer teruggevonden. Motordrijver Lips werd uit het water gehaald, maar overleed aan zijn verwondingen. Schipper Slot en stuurman Jan de Boer overleefden de scheepsramp.

Zoektocht WR 6

Op zoek naar het wrak van de in 1967 tijdens storm verdwenen WR 6 ‘Pieter Albert’ vond op 22 juli dit jaar met het duikteam ‘Zeester’ (en de ‘Vrijheid’ van Bos Marine Services als guardship) onderzoek plaats naar een wrak in de positie 53.47.564 Noord-006.02.620 Oost op de rand van de drukke botenlijn boven Schiermonnikoog. Het bleek de WR 6 niet te zijn, maar duidelijk wel een ouder kottertje, iets kleinere en uitgerust voor de bordenvisserij.

Na het lezen van het verslag van de duikexpeditie werd vanuit Urk toen contact opgenomen door de familie Kapitein (UK 174). De pas één jaar jonge en 20 meter lange UK 174 was in een stormnacht in oktober 1954 vergaan; van de vijf bemanningsleden - waaronder drie broers - werd nooit iets gevonden. Er waren best veel overeenkomsten, maar de opgedoken Deutz-manometer met serienummer zorgde voor twijfel, net als een rare verbreding oftewel knik in de romp van het schip. Vervolgens kwam via een tip van historicus Frits Loomeijer de HD 108 ‘Uit Gunst Verkregen’ bij de stichting in beeld.

De stichting Onderzoek Maritieme Vermisten werd via Visserijnieuws op het spoor gezet van Jan van Welie uit Noordwijk. Van Welie heeft een enorm archief opgebouwd van duizenden omgekomen vissers. ,,Echt een matchmaking, ongekend. Zijn archief is van heel grote waarde voor onze activiteiten’’, zegt Meeldijk enthousiast.

Hoe weet OMW dat het wrak op de zeebodem inderdaad de HD 108 is? De HD 108 was gebouwd in 1930 bij Scheepswerf ‘Stapel’ in Spaarndam, 20,08 meter lang en voorzien van een 100-120 pk Deutz. Afmetingen, het houten dek, de bolders, het ronde achterschip, de patrijspoorten, de lier, de schroef en de 2-cilinder dieselmotor kwamen overeen met het wrak, aldus Meeldijk. ,,De knik in de romp als gevolg van de mijnexplosie en het archief van Van Welie met daarin de posities gaven voor ons de doorslag. Met het terugvinden van het schip weten we nu dus ook de laatste rustplaats van Zwaan en Bais.’’

Schipperszoon Jaap Slot (76, dus geboren na de ramp) viste maar kort en was daarna een arbeidzaam leven lang garagehouder. Slot kreeg van Meeldijk de manometer van de HD 108. ,,Heel fijn, erg blij mee’’, reageerde Slot maandag verrast. ,,Geen idee overigens waarom er destijds niet gezocht is naar de kotter. Wellicht had dat met de mijnen te maken.’’

Kees Lips (81) in IJmuiden weet zich als klein kind nog wel het overlijden van zijn vader Jan te herinneren. Hij ontving met grote dankbaarheid dinsdagavond een opgedoken zilveren lepel en patrijspoort van de vergane kotter.

Mijngevaar

Op vrijdag 6 juli 1945 vertrok de HD 108 met vijf bemanningsleden vanuit Delfzijl, samen met het zusterschip HD 125 ‘Samenwerking’ met broer Freek Slot als schipper. De Tweede Wereldoorlog was net enkele maanden voorbij en de zee lag vol mijnen. Niet overal was het veilig om te vissen. In het onderzoeksverslag van de Scheepvaarinspectie staat dat door de marine-autoriteiten een uitvaartvergunning was verstrekt. Slot ontving voor vertrek een opgave met vrijgegeven vangstgebieden. ,,De plaats waar gevischt zou worden, was opgegeven door den chef van den staf van den Marine Commandant te Delfzijl, en werd verondersteld vrij te zijn van verankerde mijnen’’, staat vermeld in het proces verbaal van die maand.

Vanaf de uiterton van het Hubertsgat werd noordwest gestoomd. Rond middernacht werd de visserij aangevangen. Na drie trekken kwam de HD 125 langszij en meldde Freek Slot dat hij zijn vistuig deels had moeten kappen in verband met mijnen die naar boven waren gekomen. Met het oog op mijnengevaar werd afgesproken westelijk op te schuiven. De HD 108 had het net nog uitstaan.

Een half uur later rond 10.15 uur die zaterdagmorgen ging de HD 108 halen. ,,Ik overtuigde mij eerst of het vertrouwd was het net te hieuwen. Ik constateerde geen bijzonderheden. Ook geen van mijn bemanning had iets bijzonders opgemerkt. Gedurende deze tijd bevond ik mij steeds binnen het aangegeven gebied, opgegeven door de marine. Bij uitzetten en halen heb ik steeds gelood. Ik loodde 14 tot 15 vadem, onveranderlijk. Grondsoort zanderig. Het kompas, hetwelk gesteld was juli 1944, en mij loodingen vormden voor mij de enige controle, dat ik mij in het aangegeven gebied bevond. Het was niet doenlijk op een andere wijze plaats te bepalen. (Vuren brandden niet, slecht zicht.)’’, verklaarde Jaap Slot tegenover de Inspecteur voor de Scheepvaart.

,,Te 10.20 uur na ongeveer 10 vadem van de 100 vadem stalen lijn gehieuwd te hebben, ontstond er een explosie. Ik bevond mij op dat moment in het stuurhuis. Ik werd tengevolge van de explosie door het dak gegooid en raakte vast op het achterschip met beide benen. Met moeite slaagde ik er in mij los te werken, terwijl het schip zinkende was. Ik kwam boven water en zag de motordrijver Lips zwaargewond in het water drijven. Hij vroeg mij om hulp. Ik gaf hieraan gevolg en zwom met hem een 20 meter naar het reddingvlot. Met veel inspanning gelukte het mij hem in het vlot te tillen. Vervolgens ben ik gaan roepen of er wellicht nog meerdere slachtoffers ronddreven. Op plusminus 250 meter afstand dreef stuurman J. de Boer op een plank rond. De vlet bevond zich tevens daar in de nabijheid. De spiegel van de vlet was verdwenen. Ik riep naar den stuurman en vroeg hem of hij gewond was. Zijn antwoord was neen. Van der andere opvarenden was geen spoor te bekennen. Ik peddelde het vlot, waarop zich nog steeds motordrijver Lips bevond, welke later bewusteloos werd, naar de plank met den stuurman. Op het moment, dat wij nagenoeg bij elkander waren, kwam de HD 125 bij ons in de nabijheid en pikte ons op. De motordrijver Lips overleed bij het overnemen aan boord van de HD 125.

Ik verklaar verder nog alleen des morgens te plusminus 5 uur een drijvende mijn gezien te hebben. Ik weet niet, welk soort mijn de ondergang van ons schip heeft bewerkstelligd.’’

Freek Slot verklaarde destijds dat hij met de HD 125 ongeveer 2 mijl verderop lag toen hij een lichte schok voelde. Door slecht zicht als gevolg van een regenbui kon hij de HD 108 op dat moment niet zien. Toen de regen voorbij was bleek er van de HD 108 niets te zien te zijn. Tussen het wrakhout werd zonder resultaat gezocht naar de twee vermiste bemanningsleden. ’s Avonds om half acht werd afgemeerd in Delfzijl.

De Inspecteur voor de Scheepvaart meldt in zijn onderzoeksrapport van september 1945 dat hij het niet uitgesloten acht dat de HD 108 tijdens het vissen ten gevolge van stroming buiten het als vrij van mijnen aangegeven gebied was verdaagd.

H Wrakschets, gemaakt door duikteam Zeester.
H Jaap Slot en voorzitter Cees Meeldijk van de stichting Onderzoek Maritieme Vermisten. (Foto: NH Media/Kelly Blok)
H Sonaropname en positie van het wrak, op 16 mijl varen vanaf het Westgat (350°).
Afbeelding
H Wrakschets, gemaakt door duikteam Zeester.