Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Vier jaar CCTV aan boord van Nederlandse visserijschepen

‘Een camera in je nek doe je niet voor de lol’

IJMUIDEN – Twaalf Nederlandse kotters doen al jaren mee aan het zogeheten CCTV-project om te kijken of vissers als gevolg van camera-toezicht aan boord selectiever kabeljauw vangen. Met het oog op de aanlandplicht en dus de overstap op vangstquota is het onderzoek uiterst actueel. Projectleider Edwin van Helmond en Brita Trapman lichten de resultaten toe.

IMARES-onderzoekers hebben in februari een tweede wetenschappelijk artikel gepubliceerd over onderzoek naar het vissen met camera’s aan boord van bedrijfsschepen om kabeljauwvangsten te monitoren. Het onderzoek wordt gedaan in opdracht van de Nederlandse Vissersbond met subsidie uit het Europese Visserijfonds.

In 2012 begon in Nederland een proefproject waarbij camerasystemen worden gebruikt om kabeljauwvangsten te monitoren.  Twaalf Nederlandse schepen, waarvan zes kleine schepen (<300 pk) en zes grote schepen (>300 pk), doen nu nog mee met de proef. De voorwaarde voor deelname is dat alle gevangen kabeljauw, ook de ondermaatse, van het quotum wordt afgeboekt. In ruil daarvoor krijgen de vissers 30 procent extra kabeljauwquotum. Ook worden zij vrijgesteld van de beperking van zeedagen die geldt voor flyshooters en twinriggers die met een maaswijdte groter dan 120 mm vissen (het TR1B vlootsegment).

De systemen maken gebruik van ‘closed-circuit television’ (CCTV), een systeem zoals gebruikt bij camerabeveiliging. Een systeem bestaat uit drie of vier camera’s, GPS, rotatiesensoren op de nettentrommel, druksensoren op kabels en een computer.  De camera’s registreren beelden van het werk aan dek en tijdens het sorteerproces op de verwerkingsband. De beelden gaan naar IMARES en worden na de analyse vernietigd.

In het onderzoek werd aan de deelnemers gevraagd waarom ze meededen aan het project. Daarbij kwamen verschillende  motivaties aan bod. Voor één van de vissers is het duidelijk:  ,,De reden is die 30 procent kabeljauw die we erbij krijgen. Dat is makkelijk zat, daar ga ik niet omheen draaien. Om de hele dag een camera in je nek te hebben, dat doe je niet voor je lol.’’ De meeste schippers van kleine schepen doen mee omdat ze dan niet worden beperkt in zeedagen. Tenslotte zijn er ook vissers die meedoen omdat ze willen laten zien hoe het er in de visserijpraktijk aan toe gaat.

Het onderzoek naar het gebruik van camera’s aan boord om visvangsten te monitoren is begonnen in Canada in 2006. In 2008 gebeurde het voor het eerst in Europa, in Denemarken. Sindsdien zijn er vergelijkbare onderzoeken uitgevoerd in Schotland en Engeland. De onderzoeken zijn gestart om te kijken of video-monitoring een geschikt middel is voor het monitoren van vangstquota. Bij vangstquota wordt de hele vangst van een soort van het quotum afgeboekt en niet alleen het gedeelte van de vangst dat daadwerkelijk wordt aangeland, zoals het geval is bij aanlandingsquota.

Beleidsmakers verwachten dat met vangstquota een completer beeld ontstaat van wat er uit de zee wordt gehaald en dat vissers hun quotum optimaal zullen benutten en daardoor jonge, kleinere vis proberen te vermijden. Met het Nederlandse proefproject wordt onderzocht of camera’s geschikt zijn om vangstquota te monitoren en of vissers inderdaad anders gaan vissen met een vangstqutoum. Dit onderzoek is daarom zeer relevant, want ook met de invoering van de aanlandplicht in de EU zal men overgaan op vangstquota.

In het eerste onderzoek dat in Nederland werd gedaan, toonde IMARES aan dat de camera’s geschikt zijn om de kabeljauwvisserij te monitoren, maar dat het minder goed werkt bij een gemengde visserij met kleine hoeveelheden kabeljauwbijvangst. Bij een gemengde vangst met weinig kabeljauw zijn kleinere individuen moeilijker te onderscheiden op de camerabeelden.

Dat je met camera’s goed vangsten kunt monitoren is dus niet vanzelfsprekend, het hangt af van het type visserij. Daarna is onderzocht of de vissers anders gingen vissen met een vangstquotum dat 30 procent hoger is dan hun oorspronkelijke aanlandingsquotum. De onderzoekers vergeleken vangstgegevens en interviewden de deelnemende vissers over hun keuzes op zee. Het bleek dat de vissers op verschillende manieren reageerden, waarbij opviel dat de grotere schepen (>300 pk) ander gedrag vertoonden dan de kleinere schepen (<300 pk).

Twee grote schepen konden zich door het project helemaal op kabeljauw richten aan de kust bij Denemarken. Ze huurden extra quotum, hierdoor landden ze uiteindelijk meer dan 30 procent extra kabeljauw aan;
Twee andere grote schepen gingen wat meer noordelijk vissen op grote rode poon, schol en schar. De verruiming van het quotum zagen ze als een mooie bonus, die de ruimte gaf voor mooie bijvangst van kabeljauw;
De kleine schepen richtten zich niet speciaal op kabeljauw ondanks de quotaverhoging. Om te beginnen was er weinig kabeljauw op hun visgronden aan de Nederlandse en Belgische kust. Daarnaast weerhield de één-net-maatregel (dat gedurende één trip met hetzelfde net moet worden gevist) hen ervan om zich volledig op kabeljauw te richten. Als ze met een net van 120 mm maaswijdte uitvaren, is het risico te groot dat ze met lege handen thuis komen. Als ze met een net van 80 mm maaswijdte uitvaren mag de vangst maar voor 20 procent uit kabeljauw bestaan.

Kortom, de twee grote schepen die zich speciaal op kabeljauw richten doen zoals verwacht bij een vangstquotum: ze benutten hun quotum optimaal door visgronden met jonge vis te vermijden. De andere schepen maken andere overwegingen. Dit onderzoek laat zien dat  één maatregel die voor alle vissers geldt, zoals een vangstquotum, in visserijbeheer allerlei verschillende (soms ook onverwachte) uitkomsten kan hebben.

Voor de schippers spelen allerlei overwegingen mee in de visstrategie, zoals andere bestaande regelgeving, aanwezigheid van de doelsoort, het quotumportfolio en de mogelijkheid om verder gelegen visgronden te bereiken. Die overwegingen zijn voor iedereen anders.

Het onderzoek heeft ook laten zien dat het nuttig is voor visserijonderzoekers om niet alleen naar de logboekgegevens te kijken, maar om ook met vissers om tafel te gaan en ze vragen te stellen over hun keuzes. Hierdoor komt er veel meer zicht op de complexiteit waarbinnen vissers opereren. Dit leidt tot meer realistische onderzoeksresultaten en betere kennis voor het visserijbeheer.

Tot slot, wat hebben we aan dit onderzoek met camera’s aan boord? Het monitoren met deze systemen biedt nieuwe mogelijkheden voor onderzoek om de visserijpraktijk goed in kaart te brengen, vanwege de gedetailleerde gegevens die het oplevert. Dit vergroot de transparantie van de visserijsector. Het zou bijvoorbeeld in de toekomst kunnen leiden naar minder en flexibelere regelgeving; misschien een goed idee om te onderzoeken in een vervolgonderzoek. Ook biedt deze innovatieve, relatief goedkope en objectieve manier van monitoren ook mogelijkheden voor certificeringstrajecten zoals MSC.

Contactpersoon bij IMARES: Edwin van Helmond, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..


Wetenschappelijke artikelen:

  • van Helmond, A. T. M., Chen, C., and Poos, J. J. (2015) How effective is electronic monitoring in mixed bottom-trawl fisheries? ICES Journal of Marine Science 72: 1192–1200.
  • van Helmond, A. T. M., Chen, C., Trapman, B.K., Kraan, M., and Poos, J. J. (2016) Changes in fishing behaviour in two fleets under fully documented catch quota management: Same rules, different outcomes. Marine Policy 67: 118 – 129.