Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Mosselzaad Bedrijf Prins & Dingemanse B.V. wint rechtszaak

EZ moet huiswerk in mzi-dossier overdoen

BREDA – Het ministerie van Economische Zaken moet haar huiswerk in het mzi-dossier deels overdoen. Voor het Mosselzaad Bedrijf Prins &  Dingemanse B.V. moet de staatssecretaris zich opnieuw buigen over het toekomstig areaal voor mosselzaadinvang.

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant in Breda heeft dat vorige week uitgesproken. Eén door de overheid erkend pioniersbedrijf (Mosselzaad Bedrijf Prins & Dingemanse B.V.) en zeven anderen – volgens de overheid: experimenteerders - hadden beroep ingesteld tegen het beleid van het ministerie van EZ om het ‘schaarse’ areaal voor mosselzaadinvanginstallaties uitsluitend te verdelen onder reguliere kweekbedrijven. In het overheidsbeleid worden die ‘transitiebedrijven’ genoemd. De uitspraak werd eerst via de griffie aan de vier advocaten van de acht Zeeuwse bedrijven bekendgemaakt. De schriftelijke motivatie volgde deze week.

De mosselzaadinvang in Nederlandse wateren kent twee pioniers, aldus de staatssecretaris en de rechtbank: West6 en Prins & Dingemanse. West6 was de eerste (in de Zuidwal), en omdat dit bedrijf geen onderdeel uitmaakt van de traditionele mosselsector (en dus geen vergunning heeft om op mosselzaad te vissen), heeft het toenmalige ministerie van LNV in 2010 hiervoor een uitzondering gemaakt: West6 mag als enige zijn mzi-activiteiten voor onbepaalde tijd voortzetten. Mosselzaadbedrijf P&D en twintig zogeheten experimenteerders – dat zijn bedrijven die al voor het in 2009 vastgestelde mzi-overheidsbeleid actief waren – kregen aanvankelijk nog tot 2013 locaties toebedeeld.

Tegen dat besluit voor een generieke overgangstermijn van vier jaar en de uitzonderingspositie voor West6 tekenden bedrijven bezwaar aan. De Raad van State sprak in augustus 2013 uit dat het ministerie de overgangstermijn onvoldoende gemotiveerd had, en ook dat er onvoldoende gronden waren om P&D veel anders te behandelen dan West6.

Er volgde een nader boekenonderzoek, waarna door het ministerie besloten werd de overgangstermijn te verlengen tot zes jaar, dus tot en met 2015. Alleen Mosselzaad Bedrijf Prins & Dingemanse kreeg als pionier nog twee jaar extra.

Tegen deze besluiten gingen de bedrijven in beroep. De Rechtbank Breda boog zich er in januari over en deed vorige week uitspraak. Advocaat mr. L.J. van Langevelde van Haans Advocaten vertegenwoordigde P&D, kantoorgenoot mr. W. Lindhout vertegenwoordigde De Koning Mosselkweek B.V. (Bruinisse), Roem van Yerseke B.V. en Mosselbank B.V. (Yerseke), mr. M. van der Bent van Adriaanse van der Weel vertegenwoordigde het drietal Coöperatie De Zeeparels (Wemeldinge), BRU 40 en De Rooij (Yerseke), en advocaat mr. J. Hoekstra vertegenwoordigde Viskwekerij Neeltje Jans (Vrouwenpolder).

Opgetogen
Raadsman Leendert van Langevelde is opgetogen over de uitspraak van de meervoudige kamer. Het beroep namens Mosselzaad Bedrijf P&D is gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd. De rechtbank vindt het niet correct dat P&D als pionier anders behandeld wordt dan pionier West6.

P&D behoort met de YE 96 weliswaar tot één van de grotere mosselkweekbedrijven (‘transitiebedrijven’), maar de investeringen als mzi-pionier vielen onder een aparte vennootschap die net als West6 niet mag meedoen in het transitieproces.

Van Langevelde bestrijdt de visie van de overheid dat er sprake is van schaarste van het mzi-areaal; vandaag de dag wordt lang niet alle beschikbare grond door de mosselkwekers gebruikt. Prins & Dingemanse wil het mzi-areaal waar ze aanvankelijk als pionier in het Malzwin gebruik van maakte behouden, namelijk 55 hectare.

De staatssecretaris zou opnieuw in beroep kunnen bij de Raad van State, en is anders verplicht een nieuw besluit te nemen.

Hoger beroep
Voor wat betreft de overige zeven bedrijven vernietigt de rechtbank eveneens de bestreden EZ-besluiten, maar de rechtsgevolgen worden wel in stand gehouden. De rechtbank deelt de visie van de staatssecretaris dat zij geen pioniers zijn. Ook vindt de rechtbank dat zij op eerlijke wijze zijn gecompenseerd en als experimenteerders hadden kunnen weten dat de vergunningen tijdelijk waren.

,,De rechtbank heeft overwogen dat door de staatssecretaris geen juiste inventarisatie heeft plaatsgevonden van te compenseren opgebouwde eigendomsrechten. Dat is de grond voor de vernietiging, maar de rechtbank heeft desalniettemin, zelfvoorzienend, geoordeeld dat de investeringen en inspanningen in het verleden onvoldoende zouden zijn om te kunnen spreken van pioniers en opgebouwde eigendomsrechten. Kortom: onze cliënten hebben in de praktijk niets aan deze uitspraak’’, zegt advocaat Werner Lindhout in een reactie. ,,Ik adviseer hen in hoger beroep te gaan. Deze bedrijven zijn wel degelijk pioniers, zij hebben al vroeg investeringen gedaan.’’