Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Doctoraat Jochen Depestele van ILVO/Universiteit Gent

Gevolgen aanlandplicht min en plus

OOSTENDE/GENT – De aanlandplicht zorgt ervoor dat vis geen kans meer krijgt om teruggooi te overleven. Bovendien kan het huidige voedingspatroon voor zeevogels en het voedselaanbod voor aas-etende zeebodemdieren drastisch veranderen. Bioloog Jochen Depestele van het Vlaamse onderzoeksinstituut ILVO verdedigde vorige week vrijdag op de Universiteit van Gent zijn proefschrift over gunstige en minder gunstige ecologische effecten van de Europese aanlandplicht.

De bestemming van teruggooi in de zeevisserij is een blinde vlek in het visserijbeheer. Dat vindt Depestele (34), en het is ook de titel van zijn proefschrift. In zijn onderzoek keek Depestele naar de discardpraktijk bij vier belangrijke commerciële vissoorten in de Belgische boomkorvisserij: tong, schol, kabeljauw en wijting. Tong en schol gaan alleen overboord als ze te klein zijn. Bij kabeljauw en wijting gaat soms ook vis overboord die aan de maat is, maar waarvoor geen quotum meer is of die te weinig opbrengt. Er is inmiddels wel een verbod op ‘highgrading’ (het discarden van maatse vis uit marktoverwegingen).

Tot ruim één vierde van de teruggooi-fractie wordt opgepikt door zeevogels die de kotters volgen. Vogels hebben een voorkeur voor rondvis. Het effect van een verbod op teruggooi van wijting kan dus grotere effecten hebben op zeevogels dan het verbod op discarden van schol, die duidelijk minder wordt gegeten.

De resterende vis heeft een wisselende overlevingskans. Bij roggen stelde de onderzoeker 72 procent kans op overleving vast na 80 uur observatie, bij kabeljauw 66 procent na 88 uur, bij schol 48 procent na 77 uur en bij tong slechts 14 procent na 91 uur. Wijting en bolken overleefden het vangstproces niet of nauwelijks.

Het onderzoek van Depestele naar overleving (met waterbakken aan dek) was erg arbeidsintensief, en te kleinschalig om echt verstrekkende conclusies te trekken. Bij ILVO loopt nog een groter overlevingsproject, in samenwerking met IMARES, het Britse Cefas en instituten uit andere lidstaten, specifiek gericht op de overleving van schol. Dat onderzoek wordt via ICES op elkaar afgestemd. Dergelijke onderzoeken zijn van groot belang in het licht van mogelijke uitzonderingen op de aanlandplicht vanwege verwachte hoge overleving bij teruggooi.

Het dode deel van de teruggooifractie dat niet wordt opgegeten door zeevogels komt op de zeebodem terecht, waar het wordt opgenomen in het voedselweb van aasetende zeedieren zoals zwemkrabben, garnalen en zeesterren. Ook hier zal een discardban zijn effecten hebben, en die moeten volgens Depestele goed in kaart worden gebracht. Zo zal het aan land brengen van alle schol vooral op aaseters op de zeebodem een effect hebben.

Elkaar informeren
De visserij heeft zich vooralsnog vooral beziggehouden met aanpassingen aan de vistuigen om de selectiviteit te vergroten. Grotere selectiviteit zal gunstig zijn voor het ecosysteem, maar netaanpassingen alleen zullen volgens Depestele ‘wellicht onvoldoende’ zijn. Hij brengt het tijds- en plaatsafhankelijk beheer als bijkomende maatregel onder de aandacht. Dat steunt op het principe dat ongewenste vangst moet worden vermeden door niet te gaan vissen op visgronden waar een hoge teruggooi verwacht wordt.

Depestele: ,,Deze real-time closures moet vooral een systeem zijn waarbij vissers elkaar informeren over vangsten. Real-time management door vissers onderling, ook tussen bijvoorbeeld pulskor- en twinrigvissers. Vissers moeten samenwerken bij het opvissen van het totale quotum. Hier is nog relatief weinig onderzoek naar gebeurd, maar er liggen hier wel veel mogelijkheden.’’