Wilt u een abonnement afsluiten, nieuws doorgeven, een advertentie plaatsen of online adverteren in Visserijnieuws? Klik dan hier.
Bundel artikelen over overbevissing in het Noord-Atlantisch gebied

De visser moet wel een beetje zeerover blijven

HILVERSUM - Overbevissing en duurzaamheid, waarom ontdekten onze samenlevingen dit zo laat? Deze vraag proberen internationale auteurs in het onlangs verschenen boek ‘Too valuable to be lost’ te beantwoorden, bezien vanuit de sociologie, de economie en de historie. Jan Willem Henfling las de bundel academische artikelen en geeft zijn oordeel.

,,Het boek zegt de toenemende overbevissing van de Noord Atlantische Oceaan gedurende de afgelopen 150 jaar te behandelen. Onze eigen Frits Loomeijer is een van de elf auteurs. Hij concentreerde zich op de ontwikkelingen in de Nederlandse visserij in de periode van ongeveer 1970 tot 2000. Dat werd een boeiend verhaal.

In 1971 verscheen het eerste rapport van de Club van Rome, maar in 1973 ging het toenmalige LEI nog uit van een ongelimiteerd groeimodel in de visserij. Het advies aan het ministerie was: subsidieer, net zoals in de landbouw, structureel investeringen in capaciteit en efficiency van de vloot. Kennelijk werd de zee door economen nog gezien als onuitputtelijk.

In 2000 wordt het debat overstemd door Greenpeace en andere ngo´s. In de tussentijd ontwikkelde de Nederlandse visserij zich, vaak tegen de stroom in, tot een moderne, kapitaalintensieve en inventieve sector. Reeds kort na het optimistische LEI-advies stelden biologen, samenwerkend in ICES-werkgroepen, vast dat de zee toch minder onuitputtelijk is dan gehoopt. De Europese Commissie kwam met quota, die al snel knellend werden voor de toenemende vangstcapaciteit en efficiëntie van grotere en snellere schepen.

Daadwerkelijke implementatie van quota en controles op aanlandingen bleven lange tijd achterwege; zo lang alles op papier maar klopte. Deze ontwikkelingen leidden in de jaren 80 en 90 tot dubbele boekhoudingen, grijze vis, het aftreden van een minister, AID-invallen en talrijke rechtszaken. Loomeijer beschrijft deze ontwikkelingen nauwkeurig, maar zo begripvol dat je bijna zou vergeten hoe hard met deuren en op tafels werd geslagen.

Ik herinner mij als directeur van het voormalige RIVO levendig, het zal 1994 of ‘95 zijn geweest, dat Klaas Kramer, voorzitter van de Federatie van Visserijverenigingen, het RIVO liet weten dat gesprekken met biologen zinloos zijn als de adviezen zozeer afwijken van de waarneming op zee. Hij had zojuist persoonlijk vastgesteld dat je bijkans over de ruggen van de kabeljauw met droge voeten naar Engeland kon wandelen.

Bij zijn afscheid als voorzitter van de Federatie, enkele jaren later, werden hij en opvolger Ben Daalder door het Reformatorisch Dagblad (19-04-1997) geïnterviewd. Daalder zei: ,,De visser moet wel een beetje zeerover blijven, want anders kun je beter een robot in de stuurhut zetten.” Het interview is nog steeds fantastisch leesvoer als je de emotie van die periode wilt herbeleven.

Tekortschieten

In hun introductie stellen samenstellers Álvaro Garrido en David Starkey de retorische vraag: Overbevissing en Duurzaamheid, waarom ontdekten onze samenlevingen dit zo laat? En zij geven aan waarom deze vragen zo belangrijk zijn en hoe ze deze op een multidisciplinaire basis willen beantwoorden voor West-Europa vanuit sociologie, economie en historie.

En dan kom ik meteen op een eerste tekortschieten van dit boek. Inderdaad, de auteurs zijn econoom, historicus, socioloog, journalist, betrokken bij de visserij. Maar ik mis de biologische en mathematische duiding en evolutie van begrippen die tot de definities van overbevissing leiden, maar ook tot een steeds beter en betrouwbaarder advies. Die multidisciplinariteit is zo betrekkelijk dat deze leidt tot zelfbedachte definities van enkele biologische begrippen in de bijdrage van Fernando Gonzâles Laxe over het Gemeenschappelijke Visserijbeleid van de EU.

Was het nu zo moeilijk geweest om een bioloog te vinden met een vlotte pen, brede kennis van de Europese visserijen, historisch besef, boordevol anekdotes en lange tijd betrokken bij de ICES-ontwikkelingen voor dat ene hoofdstuk waarin de biologische basis van het overbevissingsprobleem wordt neergezet? Ik denk bij zo’n breed profiel bijvoorbeeld aan Dolf Boddeke, maar in Nederland en de rest van Europa lopen vast meer biologen rond die met hun inbreng het boek werkelijk multidisciplinair hadden gemaakt.

De historische ontwikkelingen van de Spaanse, Portugese, Nederlandse, Britse en Noorse visserijen zijn bijzonder boeiend beschreven, maar aan zeker zo interessante en belangrijke visserijlanden als Frankrijk, Ierland en Denemarken wordt voorbijgegaan. Wellicht minder belangrijk in Europees perspectief was de Duitse visserij, maar Duitsland speelde een belangrijke rol toen biologen gingen onderzoeken wat er allemaal gebeurt onder het zeeoppervlak.

De historische periode die wordt besproken verschilt ook aanzienlijk per land en per auteur, zonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven. De Noorse en Nederlandse historie begint rond 1970, maar in het VK, Spanje en Portugal begint het verhaal in de tweede helft van de negentiende eeuw. De laatste vier bijdragen behandelen de CFP, de rol van de ngo’s en hoe het Utopia van een duurzame visserij wellicht wordt bereikt.

Op het land

In vrijwel alle verhalen over de ontwikkeling van de visserij in verschillende landen komt naar voren dat gebeurtenissen op het land, dus in de markten en politiek, zeker zulke drijvende krachten vormen als de technologische ontwikkelingen aan schepen (zeil, stoom, diesel), vangstmethoden (vleet, trawl) en organisatie van de visserij. Zowel in het VK als in Spanje blijkt bijvoorbeeld de opkomst van de trein met vaste vertrektijden te leiden tot een revolutie in de visserij, doordat verse vis plots beschikbaar komt voor de arbeidende bevolking in steden ver van de kust en geen exclusiviteit meer is voor de aristocratie.

Naarmate bepaalde visbestanden uitputten veranderen visserijen en komen andere soorten in de vangst. De vraag naar verse vis leidt tot een verwerkende industrie, ijspakhuizen, koel- en vriestransport. In Spanje leiden ontwikkelingen tot verticaal geïntegreerde bedrijven (met vissersschepen, verwerkers, spoorwagons, en winkels in één concern), maar in het VK beperkt de schaalvergroting zich tot grote verwerkers die min of meer ambulant de aanlandingen volgen.

Dankzij de continentale spoorwegen voorziet de Engelse visserij in de Victoriaanse tijd Duitsland en Oost-Europa van gepekelde en gerookte haring en ontstaat een industrie in de verwerking van pelagische soorten. Je ziet in de bijdragen over Spanje en Portugal hoe het komt dat (nog steeds) veel ingeblikte sardientjes en ansjovis uit Portugal komen. Stuk voor stuk boeiende verhalen!

Na het lezen van deze histories komt nog een vraag op die, denk ik, een historisch boek zou moeten beantwoorden: wat zijn de sociale, economische, wellicht ook geografische redenen dat ontwikkelingen in landen aan de oevers van een en dezelfde zee zo enorm verschillen? Waarom zijn vissers in sommige zo zakelijk, modern, inventief en georganiseerd en in andere landen zo kleinschalig en artisanaal gebleven? In 1850 voeren ze allemaal op kleine scheepjes onder zeil, maar kijk nu eens rond!

De ontwikkelingen in de Europese Unie, de betekenis van het GVB, de TAC’s, MSY, ICES en in toenemende mate de ngo’s worden gedetailleerd en boeiend beschreven in de afsluitende hoofdstukken. Zelfs de wortels van het BREXIT-drama worden (summier) besproken, en daardoor wordt invoelbaar dat de inwoners van Britse kustplaatsen overwegend stemden voor het verlaten van de EU.

Dat de auteurs van de afsluitende hoofdstukken een bias hebben als adviseurs voor de ecologische ngo’s is duidelijk, maar stoort niet eens. Het een na laatste hoofdstuk door Rod Capell en Fiona Nimmo (Duurzame Europese Visserijen: Zijn we er reeds?) stemt redelijk optimistisch. Zij zien dat structureel meer vis zal worden aangeland, door een gezonde, moderne visserij.

Verplicht

Dit boek hoort zeker thuis in iedere visserijbibliotheek en zou verplicht leesvoer mogen zijn voor een ieder die zich wil verdiepen in het huidige visserijbeleid. Je moet immers weten vanwaar we gekomen zijn om nu quota te kunnen vaststellen op basis van goede wetenschap en in samenspraak van visserij, ngo’s en beleidsmakers.

Het boek wordt aangeboden voor 75 euro tot 80 euro via de boekhandel, ondanks financiering door Mútua dos Pescadores en SCIAENA (de eerste een visserijcoöperatie in Portugal en de tweede een samenwerkingsverband van mariene ngo’s). Ik vrees dat die prijs aan de hoge kant is, maar hoe dan ook, het is zeker een mooi cadeau!’’

Jan Willem Henfling

Álvaro Garrido en David J. Starkey (redactie) en elf andere auteurs, 2020, Too valuable to be lost (ondertitel: Overfishing in the North Atlantic since 1880), 198 pagina’s, Uitgever Walter de Gruyter GmbH, Berlijn/Boston ISBN 978-3-11-064173-8