DEN HAAG – In het voorjaar van 2007 zou een proef met het gedoseerd toevoegen van fosfaat aan het kustwater kunnen plaatsvinden. Een dergelijke proef, mits zorgvuldig uitgevoerd, is niet meer onbespreekbaar voor zowel vissers en overheid als onderzoekers en ngo’s. Na een open discussie op de Workshop Fosfaataddities afgelopen maandag op het LEI in Den Haag lijken vier scenario’s/locaties voor pilotprojecten de moeite van nader onderzoek waard: op de Hollandse kust, op het westelijke Wad, bij Hoek van Holland en door manipulatie/optimalisatie van de uitstroom van de rivieren. De visserij zet onverkort in op een pilotproef, liefst zo snel mogelijk. Het gaat op dit moment gewoon niet goed met de platvis op de kust en fosfaattoevoeging zou dat proces kunnen keren. Wetenschappers waarschuwen voor te veel optimisme en wijzen op risiso’s. En ook fosfaat is niet gratis.
De fosfaatdiscussie is heel lang een (politiek) taboe geweest. Daar lijkt nu verandering in te komen. De vraag of een fosfaatproef zinvol kan zijn is de laatste tijd meermalen gesteld in de Tweede Kamer. Ook minister Veerman is geïnteresseerd in het verband tussen fosfaat en visproductie en een proef om dat aan te tonen. Er is door IMARES als opmaat literatuuronderzoek gedaan, waaruit Veerman dit voorjaar nog concludeerde dat een fosfaatproef niet opportuun zou zijn. Toch pleitte de bewindsman voor meer onderzoek naar nutriënten in de kustwateren en draagkracht van het mariene ecosysteem. De tijd was kortom rijp voor een open gesprek met de sector, met onderzoekers en met de maatschappelijke organisaties (ngo’s) over de feiten, de beschikbare kennis, eventuele knelpunten en risico’s.
Gespreksleider maandagochtend was Henk Smit van WING, een aan Wageningen UR gelieerde organisatie die vanuit een neutrale positie gesprekken stimuleert tussen verschillende partijen. Smit liet iedereen aan het woord, kapte zo nodig te lange verhalen af en streefde naar een constructieve uitkomst. Dat was ook het streven van dagvoorzitter Ger de Peuter (plaatsvervangend directeur Visserij). De Peuter stelde vooraf dat er geen belemmeringen hoeven te zijn voor een vruchtbare discussie.
In de visserij overheerst de mening: liever vandaag dan morgen een proef. ,,De Nederlandse kustzone is een woestijn. We kunnen er ons brood niet meer verdienen, want er zit geen tong en schol meer.’’ Hetzelfde geldt voor de westelijke Waddenzee; heel helder water, maar niets te vangen. De aanwezige vissers op de bijeenkomst benadrukten dat zij emotioneel sterk betrokken zijn bij de fosfaatdiscussie. De stijging van het fosfaatgehalte van het afvalwater vanaf de jaren zestig ging gelijk op met een enorme opleving van de schol en tong (en kabeljauw) in de kustzone. Helaas is de verwachting van Dolf Boddeke en Paul Hagel begin jaren negentig (‘De rigoureuze zuivering van het afvalwater wordt de doodsteek voor de visserij’) uitgekomen. Na drastische ingrepen (waterzuivering, fosfaatvrije wasmiddelen) daalden de vangsten even drastisch. Er is door collega-wetenschappers eerst hartelijk gelachen om het gelegde verband; visserijbioloog Ad Corten gaf dat op de workshop volmondig toe. Maar een oorzakelijk verband lijkt geen punt meer van discussie. De gepensioneerde visserijbioloog Boddeke benadrukte dat het vooral om vissoorten gaat voor wie onze kust en Waddenzee als kraamkamers fungeren.
Het LEI heeft becijferd dat elke procent meer productiviteit en daardoor meer aanvoer van tong en schol leidt tot een verbetering van het nettoresultaat van de sector met 1 miljoen euro. Boddeke hoopt ook op meer kabeljauw en meer paling, vissoorten die tijdens de discussie niet echt aan de orde kwamen.
Soortverschuiving
Dit alles wil absoluut niet zeggen dat wetenschappers en milieuorganisaties direct instemmen met een proef, of met het idee dat toevoeging van fosfaat rechtstreeks zal leiden tot betere besommingen voor de platvisvloot. Han Lindeboom van IMARES legde op de bijeenkomst uit dat tussen fosfaat en vis een geweldig groot en gecompliceerd voedselweb zit. Ook wijzen wetenschappers er op dat de productiviteit en biomassa de laatste decennia helemaal niet zoveel kleiner zijn geworden, maar dat er meer een verschuiving van soorten heeft plaatsgevonden. Zo zijn er nu minder mosselen in de Waddenzee, maar wel veel kokkels en Japanse oesters. Met kreeftjes en krabben gaat het goed en ook de bruinvis lijkt op dit moment geen honger te lijden in onze kustwateren. Lindeboom waarschuwend: ,,Straks voegen we fosfaat toe en profiteren daarvan alleen kwallen en Japanse oesters.’’
Lindeboom en visserijbioloog Adriaan Rijnsdorp van IMARES wijzen op andere factoren die invloed (kunnen) hebben: temperatuur, doordringen van het zonlicht en (de afwezigheid van) strenge winters. Rijnsdorp vindt in het algemeen een enkelvoudige relatie te simpel: ,,Je kunt niet maar gewoon een knopje omdraaien en daarmee de productiviteit opvoeren.’’ Dat de afname van fosfaat heeft gezorgd voor een lagere groeisnelheid van tong en schol is zeer aannemelijk, maar ook is een gegeven dat de hoge fosfaatgehaltes uit het verleden geen effect hadden op de sterkte van de jaarklassen platvis.
Naast de wetenschappelijke vraagtekens spelen ook mogelijke risico’s en gevaren een belangrijke rol in de besluitvorming naar een eventueel fosfaatproef. Het risico is aanwezig dat fosfaat naar het noorden stroomt en voor de kusten Duitsland en Denemarken zorgt voor ongewenste algenbloei. Dat zou problemen kunnen geven met onze noorderburen. Op politiek vlak kunnen er problemen komen met het draagvlak en met wetgeving. Fosfaattoevoeging zou een breuk zijn met het tot nu toe gevoerde beleid, dat immers gericht is op schoner water, en in conflict kunnen komen met richtlijnen als de Kaderrichtlijn Water. Al werd gesteld dat teveel nutriënten in het afvalwater vooral een probleem is voor het zoete water.
Niet te klein
Na de discussie en de onvermijdelijke ‘stammenstrijd’ boog het gezelschap zich over het nut, de randvoorwaarden en de uitvoerbaarheid van een pilotproef. Waar zitten de mogelijkheden? Waar de beperkingen, en waar de risico’s?
Floris Groenendijk van Stichting De Noordzee acht een te grote, industriële schaal van fosfaattoevoeging niet wenselijk voordat er een betere wetenschappelijke onderbouwing is en pleit voor een kleinere schaal, onder beter controleerbare condities. ,,We moeten zorgvuldig omgaan met de Noordzee.’’ Paul Hagel vindt daarentegen dat de schaal niet te klein moet zijn want ‘anders valt er niets te meten’, en Federatie-voorzitter Ben Daalder vindt dat op bijna alle onderzoeksterreinen enige risico’s worden genomen. ,,De hele visserij staat achter de visie van Boddeke. Op dit moment gaat het gigantisch mis op de Noordzee. Laten we ons niet schamen voor een oproep om meer schol en tong. Wij willen graag een aanbeveling voor een pilotproef’’, aldus Daalder.
Boddeke oppert een ‘groot project’ bij Hoek van Holland, vanwaar de fosfaat zich kan verspreiden over de kust. Maar hij ziet ook een kleinere proef bij de sluizen van de Afsluitdijk wel zitten, wat ook de voorkeur zou hebben van Rijnsdorp. Een raming voor de kosten van het fosfaat voor de proef: 5 miljoen euro, exclusief de uitvoering, die in dezelfde orde van grootte zal liggen.
Het uitzetten van de defosfatisering-trap van waterzuiveringsinstallaties als die van Delftland, zoals ingebracht door Lindeboom, zou een goedkopere oplossing zijn. Als er ’s winters méér fosfaat uit het afvalwater gehaald zou worden en ’s zomers (als er een ‘tekort aan fosfaat’ is in het ecosysteem) minder, zou dat ook beter te verkopen zijn aan het publiek. Met dezelfde leiding, die uitmondt op 2,5 kilometer uit de kust, zou ook fosfaat toegevoegd kunnen worden. Ook moet de afvoer in het algemeen van de rivieren (en de belemmeringen) in ogenschouw worden genomen. Tenslotte kwamen ook de algemene onderzoeksvragen aan de orde: wát meten we, hoe meten we, wat zijn de doelen?
Waterschappen
De Peuter sloot de bijeenkomst positief gestemd af. Hij had de workshop ervaren als een constructieve discussie, waarin erkend is dat er in ieder geval een relatie is tussen fosfaat en productie, waarin bruggen zijn geslagen, en waarin geen blokkades zijn opgeworpen maar wel zorg is uitgesproken. Voorzitter Jan Odink van het Productschap Vis maande tot enige spoed. Het voorjaar van 2007 werd geopperd, maar een goede opzet is in de ogen van De Peuter belangrijker dan snelheid. Ook is volgens hem duidelijk geworden dat er gewaakt moet worden voor te veel optimisme. ,,Het milieubeleid is niet voor niets tot stand gekomen. Er zijn miljarden in geïnvesteerd. Er zal dus veel aandacht nodig zijn voor de weerstanden en argumenten van andere partijen. Dat moet zeker ook bij de uitwerking van de scenario’s betrokken worden. De komende tijd moet gekeken worden waar ‘onze vrienden zitten’, nationaal en internationaal. Op de scenario’s voor de mogelijke pilots (kust, Wad, Hoek van Holland, rivierstromen) moet een kosten/baten-analyse losgelaten worden. En bij een vervolgbijeenkomst zouden in ieder geval ook waterbeheerders uitgenodigd moeten worden.’’
|