Antwoorden op vragen van vissers tijdens de F-dag
|
Vangstsucces als maat voor de visstand |
|
vrijdag, 05 mei 2006 |
RIJSWIJK/IJMUIDEN - Visserijbestuurders hebben begin dit jaar een oproep gedaan om mee te doen en mee te (blijven) doen aan ondermeer het F-project om zo met behulp van praktijkgegevens betrouwbaardere schattingen van de visbestanden te kunnen maken. Vijf nieuwe deelnemers hebben zich toen aangemeld. Deelname is in het eigen belang van de visserij, want daardoor heeft de sector invloed op het nationale en internationale beheer, aldus de F-stuurgroep met vertegenwoordigers uit de visserij, LNV en IMARES.
Vorig najaar is tijdens een voorlichtingsdag met de betrokken F-schippers en andere belangstellenden besproken wat inmiddels vier jaar F-project tot nu toe heeft gebracht. Naar aanleiding van de presentaties door het RIVO (nu IMARES) bleek dat er de nodige vragen leefden over het project. Hieronder beantwoordt de stuurgroep een aantal van deze vragen.
Sommige vissers verwachtten dat ze in het laatste kwartaal van 2005 niet met wat zij noemen de handrem hoefden te vissen en dat ze daardoor ook een hoger vangstsucces zouden behalen. Daarmee willen ze aantonen dat het vangstsucces afhankelijk is van de mate waarin het quotum knellend is.
Of het vangstsucces afhankelijk is van de mate waarin het quotum knellend is, wordt uitvoerig onderzocht binnen het F-project. Dankzij de gedetailleerde gegevens die de F-schippers verzamelen, was het mogelijk na te gaan hoe vissers het visgedrag aanpassen aan het beschikbare quotum. Zo kunnen we een inschatting maken van de mate waarin de handrem wordt aangetrokken. In perioden dat het quotum voor schol erg knellend was, zorgde het vissen met de handrem voor een afwijking van het vangstsucces van 10%. Nu de afwijking door knellende quota bekend is, kunnen we het vangstsucces corrigeren voor de handrem. Hoe dit precies wordt gedaan staat beschreven in de flyer ‘Vangstsucces als maat voor de visstand’.
De vistijd die in de EU-logboeken (VIRIS) staat is de tijd tussen vertrek uit en aankomst in de haven. Daardoor wordt de effectieve vistijd overschat, zodat ook het aantal kilo’s per uur wordt onderschat.
Het klopt dat we hierdoor de werkelijke vistijd van schepen die in ver weg gelegen gebieden vissen overschatten en dus het vangstsucces (=vangst/vistijd) onderschatten. Gelukkig blijft per visgebied de stoomtijd gelijk en is het vangstsucces binnen dat visgebied van jaar op jaar prima te vergelijken. Om toch tot een betere schatting van de hoogte van het vangstsucces te komen, kunnen we gegevens van de F-vloot gebruiken: daarin staat wel de effectieve vistijd. Zo is te berekenen dat tijdens een dag op zee zoals die geregistreerd staat in VIRIS, gemiddeld 20 visuren worden gemaakt door schepen uit het zuiden van het land en 18 visuren door schepen uit het midden en noorden van het land. Er is daarbij vanuit gegaan dat schepen uit het zuiden voornamelijk vissen in het zuiden, en dat schepen uit het midden en noorden van het land ook in noordelijker gebieden vissen. Met deze informatie kunnen de VIRIS-gegevens worden bijgesteld.
Het effect van technologische ontwikkelingen in de vloot op het vangstsucces verdient meer aandacht. Dus: hoe wordt de vangst per uur beïnvloed door nieuwe motoren; afstellen van motoren; veranderingen in vistuigen; verandering van het aandeel oude schepen in de vloot enz.?
Er is nog geen overeenstemming over wat het effect precies is, maar het heeft voor de toekomst wel invloed.
Het IMARES verzorgt eind april een presentatie over technische ontwikkelingen in de vloot bij het kotteroverleg, waarbij afgevaardigden van het ministerie van LNV, het LEI en de Werkgroep Motorvermogen aanwezig zullen zijn. Daar wordt verder besproken welke vervolgacties er nodig zijn met betrekking tot dit onderwerp. Hoe dan ook zullen we rekening moeten houden met veranderingen van de visserij-inspanning door technologische ontwikkelingen, als we iets willen zeggen over ontwikkelingen in het vangstsucces.
Sommige vissers zeggen dat door de scholbox de jonge schol naar buiten is getrokken, zodat er buiten de scholbox relatief meer ondermaatse schol aanwezig was en dus de discards omhoog zijn gegaan.
Het klopt inderdaad dat jonge schol naar buiten is getrokken, wat bijgedragen moet hebben aan de hogere aantallen discards. Er zijn aanwijzingen dat dit het gevolg is van de hogere watertemperaturen in het kustgebied. Het is niet bekend of het naar buiten trekken van jonge schol een direct verband heeft met de scholbox. Hier zal aandacht aan worden gegeven in het scholboxonderzoek dat mogelijk uitgevoerd wordt, als de Europese Commissie en de RAC besluiten dat naast de evaluatie op papier, gedaan in 2004, ook een praktijkonderzoek haalbaar is.
Vissers zeggen dat het onderzoek naar discardspercentages in de jaren ’80 niet te vergelijken is met het onderzoek dat nu wordt gedaan.
De visserij in de jaren ’80 was anders dan de visserij nu: andere verspreiding, andere vistuigen etc. Bij vergelijking van de hoeveelheden en het percentage discards tussen de verschillende periodes wordt daar zeker rekening mee gehouden. Het onderzoek dat door de sector zelf wordt gedaan, geeft een goed beeld over de verspreiding en hoeveelheid van discards nu, ondanks dat hiermee helaas geen informatie over discards in de jaren ’80 wordt verkregen.

Vissers zeggen dat het vangstsucces in de noord door instelling van de scholbox omlaag is gegaan.
Na de instelling van de scholbox zijn de verspreiding van de visserij-inspanning over de Noordzee en het vangstsucces veranderd. In Figuur 1 is in de bovenste plaatjes te zien dat de Nederlandse vloot meer in de zuid vist. Het verspreidingspatroon van de hoogte van het vangstsucces, samen met onder andere brandstofkosten en de zeedagenregeling, bepalen hoe de vloot zich verdeelt over de Noordzee. In de onderste plaatjes is te zien dat het vangstsucces van schol in het noorden, maar ook in de overige delen van de Noordzee, is afgenomen. Dat de scholbox een direct effect heeft op het vangstsucces in het hele noordelijke deel van de Noordzee is niet waarschijnlijk. Belangrijke factoren die van invloed zijn op de verspreiding van vis, en daarmee op het vangstsucces, zijn bijvoorbeeld temperatuur en voedselbeschikbaarheid. Deze factoren, die over de hele Noordzee een rol spelen, wegen zwaarder dan de scholbox die slechts in een deel van de Noordzee ligt.
|
| |