Visserijnieuws.nl
Home Nieuws Achtergronden Jonge haring belaagd in helder kustwater
Abonnement & Advertentietarieven

Dolf Boddeke over zwakke jaarklassen haring

Jonge haring belaagd in helder kustwater
vrijdag, 01 juni 2007

De loswallen op de Noordzee.SANTPOORT – De vraag naar de oorzaken van de slechte overleving van de haringlarven van de afgelopen vijf jaarklassen houdt iedereen bezig. Tal van oorzaken, van kannibalisme tot verandering in zeestromingen, worden geopperd. Gepensioneerd visserijbioloog Dolf Boddeke wijst op een aantal andere mogelijke oorzaken van het blijvend slechte recruitment van haring.

,,In Visserijnieuws van 4 mei 2007 publiceerde Mark Dickey-Collas (Wageningen IMARES) een informatief artikel over de Noordzeeharing, waarin de huidige situatie (bepaald door vijf zwakke jaarklassen achter elkaar) in een historisch perspectief wordt geplaatst. In dit artikel valt op dat er van 1960 tot circa 2000 sprake is geweest van een redelijk verband tussen de grootte van de paaistand en de aanwas van jonge dieren. Het visserijbeleid ten aanzien van de haring: houd de paaistand boven een minimumniveau van 800.000 ton en vang niet meer weg dan de aanwas van jonge dieren toestaat, had dus een solide basis.

Het bovengenoemde verband is interessant omdat de Noordzeeharing sinds 1960 heel wat heeft beleefd. Het slechte recrutement in de jaren ‘70 was waarschijnlijk deels het gevolg van ongunstige hydrografische omstandigheden die de larven ontmoetten op hun tocht van de paaigebieden aan de Engelse oostkust naar het Nederlandse kustgebied. Daarnaast heeft ook de zeer lage stand aan volwassen haring een rol gespeeld.

Van de toenemende eutrofiëring tussen 1960 en 1982 van de zuidoostelijke Noordzee moet de jonge haring ongetwijfeld voordeel hebben gehad. Want waar ook ter wereld in zeegebieden eutrofiëring optreedt (Oostzee, Nijldelta, Adriatische Zee) zijn het de haringachtigen die daarvan als eersten profiteren. Maar in de zuidoostelijke Noordzee kreeg de jonge haring rond 1970 tevens te maken met de ontwikkeling van een enorme kabeljauwpopulatie en een sterke toename van de wijting, die veel bliek vreten. En in de jaren ‘60 van de vorige eeuw ontwikkelde zich ook de Deense industrievisserij met nauwmazige netten. Deze industrievisserij onttrok zich goeddeels aan internationale controle en ving waarschijnlijk een ‘ietsje meer’ bliek dan de bescheiden quota toestonden!

Het beeld suggereert dat bij de haring in 1970-1987 de verliezen aan jonge dieren door predatie van wijting en kabeljauw en de industrievisserij de winst door de eutrofiëring (meer voedsel in de Nederlandse kustzone en daardoor betere groei en overleving van de jongste stadia) elkaar min of meer in evenwicht hielden. Deze veronderstelling is niet uit de lucht gegrepen. Een analoge situatie heeft zich in 1970-1987 bij de garnaal in ons kustgebied voorgedaan. De aangetoonde goede overleving van larven en de snelle groei van de garnalen in die periode kwam vooral ten goede aan kabeljauw en wijting. Slechts als deze predatoren het een jaartje lieten afweten, zoals in de herfst van 1982, zag de visserij iets van de formidabele garnalenproductie in die jaren.

Troebele strook nu helder

Bij de Noordzeeharing heeft de afgelopen jaren een hoge productie van larven echter niet meer geresulteerd in goede jaarklassen. Jaarlijkse surveys in februari op vijf maanden oude larven geven al vijf jaar teleurstellende resultaten. De reden daarvoor is nog niet duidelijk. Haringexperts denken aan sterfte, door kannibalisme of veranderingen in de samenstelling van het plankton. Het is echter ook mogelijk dat in de zachte winters van de afgelopen jaren een relatief groot deel van de vijf maanden oude larven in februari het gebied langs de Nederlandse kust al had bereikt en zich aldus aan de MIK surveys had onttrokken. Het is daarom de moeite waard om de situatie in het Nederlandse kustgebied eens onder de loep te nemen.

Op het eerste gezicht lijkt de situatie voor de haring in de zuidelijke Noordzee in recente jaren te zijn verbeterd. De kabeljauwpopulatie in de zuidoostelijke Noordzee is na 1985 weer verdwenen, de wijtingstand in dit gebied stelt niets meer voor en de Deense industrievisserij is sterk ingekrompen. Het belangrijkste gevolg van de teruggelopen eutrofiëring, het smaller worden van de voedselrijke strook langs de kust, had voor bliek ook niet dramatisch uit hoeven pakken. Er is echter een andere belangrijke verandering in de Nederlandse kustzone opgetreden: de toename van de helderheid van het water langs de kust.

De helderheid van het water langs de kust ten noorden van Hoek van Holland, werd van 1961 tot 1996 sterk verminderd door de storting van baggerslib uit de Nieuwe Waterweg op de Loswal Noord, 5-10 km uit de kust bij Ter Heyde. Door de reststroom in noordelijke richting, zorgde deze bagger voor een kilometers brede band van ondoorzichtig, bruin water langs de kust. Veel van dit slib belandde uiteindelijk in de Waddenzee. Troebel water wordt gemeden door oogjagers zoals makreel, fint, geep en zeebaars. Deze troebele strook langs de kust was daardoor een veilig gebied voor jonge bliek. In juni 1996 is echter het storten van slib op de Loswal Noord gestaakt en is men (vanaf 3 juli 1996) gaan storten op de Loswal Noordwest, buiten de 20 meter dieptelijn. Op 15 augustus 2000 is de Verdiepte Loswal in gebruik genomen, vlak bij de oude Loswal Noord maar ook buiten de 20 meter diepte lijn. (Zie kaartje)

Deze verandering van het stortingsregime heeft geleid tot een geleidelijke toename van de helderheid van het water langs de kust. Na het stoppen van de storting op Loswal Noord in 1996 was de situatie op de Loswal Noord zeven jaar later nog niet stabiel (Stutterheim/RIKZ, 2003). Nu is echter het water langs het strand al jaren ongekend helder.

De voedselrijke zone langs het strand is, door de afgenomen eutrofiëring na 1990, heel smal geworden. En in dat strookje concentreert zich thans de bliek in dichte, zilverkleurige scholen. Op de windstille dag 24 mei 2007 glinsterde het water rond de pier in IJmuiden zover als het oog reikte. De bliek is hier echter niet meer veilig, want zijn predatoren concentreren zich óók langs de kustlijn.

Grote scholen makreel, die vroeger kilometers van de kust bleven, jagen nu in het zomerhalfjaar vlak langs de kust op bliek. Hetzelfde geldt voor zeebaars, fint en geep. De laatste twee soorten lijken al jaren toe te nemen. De in paniek naar het oppervlak vluchtende bliek wordt belaagd door diverse soorten sterns.

De sterfte van jonge bliek in 1965-1987, veroorzaakt door kabeljauw, wijting en de Deense industrievissers, is afgenomen, maar de eutrofiëring die deze verliezen opving is óók goeddeels weggevallen. De waarschijnlijk sterk toegenomen predatie op bliek door bovengenoemde predatoren wordt daardoor niet meer gecompenseerd. In hoeverre deze veranderingen in het kustwater een rol spelen in de afname van de haringstand, zal de tijd (en onderzoek) leren.’’

 
 
 
Banner
webadvertentie
 
Banner
webadvertentie
 

Biologen in de war geweest, haringstand blijkt veel groter:




Resultaten

<<  April 2010  >>
 ma  di  wo  do  vr  za  zo 
     1  2  3  4
  5  6  7  8  91011
12131415161718
19202122232425
2627282930  

Banner
webadvertentie
 
Banner
webadvertentie
 
Banner
webadvertentie
 
GBU grafici