Visserijnieuws.nl
Home Nieuws Achtergronden Vissen leren in school
Abonnement & Advertentietarieven

Nieuw inzicht in vismigraties

Vissen leren in school
vrijdag, 06 juli 2007

NANTES - Het idee dat vissen hun paaiplaatsen en voedselgronden leren kennen door mee te zwemmen in scholen van oudere soortgenoten, werd lange tijd naar het rijk der fabelen verwezen. Sinds kort houdt een speciale ICES-werkgroep zich met dit onderwerp bezig. Hieronder een verslag van een vorige maand in Nantes (Frankrijk) gehouden vergadering over leergedrag bij vissen en de betekenis daarvan voor het visserijbeheer. Auteur Ad Corten was uitgenodigd als zijnde een van de ´uitvinders´ van deze theorie.

Iedereen die wel eens een goudvis in een kom gehouden heeft, weet dat de vis binnen enkele dagen leert wanneer hij gevoerd gaat worden. In een aquarium zie je hetzelfde. Daar heb je ook vissen die zich een bepaald plekje veroveren en dat als hun territorium beschouwen. In nog grotere ruimtes zoals vijvers of kanalen zie je ook dat vissen hun eigen plekjes hebben, en dat ze kunnen leren om naar bepaalde voederplaatsen te komen. Al deze gedragingen berusten op aangeleerd gedrag. Het bestaan van aangeleerd gedrag bij vissen in zoet water is dus algemeen bekend. Maar dat leergedrag ook bij zeevis een rol zou spelen, gaat de meeste mensen een beetje te ver.

Ook vis heeft vaste gewoontes

Toch zien we ook in zee dat vissen er bepaalde gewoontes op na houden. Zo paait haring ieder jaar op precies dezelfde tijd op dezelfde plaatsen. Verder zien we dat de vis in de zomer vaak jaren achtereen op dezelfde plaats terugkeert. Ook in de winter blijkt de vis vaak een voorkeur te hebben voor speciale gebieden. Tot nu toe namen de meeste onderzoekers aan dat deze terugkeer van vis naar bepaalde plaatsen een kwestie was van instinct. De haring die op een bepaalde paaigrond geboren was, zou een aangeboren neiging hebben om als volwassen vis naar deze plek terug te keren. Aangenomen werd dat elke paaipopulatie een genetisch onafhankelijke eenheid vormde, die geen uitwisseling had met naburige populaties. Wanneer een populatie door de visserij werd uitgeroeid, zou deze dus voor altijd van de aardbodem (zeebodem) verdwenen zijn.

De ervaringen met de haringvisserij in de jaren 1960 en 1970 leken deze theorie te bevestigen. Door overbevissing werd gedurende deze periode een aantal belangrijke paaipopulaties in de centrale en zuidelijke Noordzee uitgeroeid. Na een totale sluiting van de visserij van 1977 tot 1983 herstelde de haringstand zich weer enigszins in de jaren ´80. Het was echter opvallend dat dit herstel beperkt bleef tot de paaipopulaties die nog bestonden op het moment van de sluiting. Op paaigronden waar de bestaande populatie op dat moment al was uitgeroeid (Doggersbank), kwam de haring ook later niet meer terug (Fig. 1).

Terugkeer haring op Aberdeen Bank

In het begin van de 80-er jaren deed zich echter een verschijnsel voor dat de theorie over aangeboren gewoontes van de haring een gevoelige slag toebracht. Dit was de terugkeer van paaiende haring op de Aberdeen Bank. In de 50-er jaren was de Aberdeen Bank de voornaamste paaiplaats voor haring in de noordelijke Noordzee. Door intensieve visserij in de jaren 1950 en 1960 was de haring op deze paaiplaats echter volkomen verdwenen. Na 1966 had de visserij nooit meer paaiende haring in dit gebied gevonden. De ervaringen van de visserij werden bevestigd door planktonopnames: van 1967 tot en met 1982 werd er geen enkele haringlarve in dit gebied aangetroffen. Maar in 1983 was de haring plotseling terug. De onderzoekers waren de eersten die dit constateerden aan de hand van hun planktonopnames (Fig. 2). In de daaropvolgende jaren wist ook de visserij de paaiende haring te vinden, en ontstond er weer een jaarlijkse visserij op kuitzieke haring op de Aberdeen Bank.

Merkwaardig genoeg beseften weinig onderzoekers op dat moment de consequenties van dit verschijnsel voor de bestaande theorie over afzonderlijke paaipopulaties. Wanneer de oude populatie van de Aberdeen Bank een genetisch zelfstandige eenheid was geweest, kon deze na uitroeiing niet spontaan uit het niets herrijzen. Het feit dat er na 17 jaar toch weer haring in dit gebied verscheen, betekende dat haring van naburige populaties het vermogen had om dit gebied opnieuw te ´kolonialiseren´. Blijkbaar berustte de keuze van een paaiplaats dus niet op aangeboren gedrag. De haring bezat kennelijk het vermogen om een nieuw gebied uit te kiezen als paaiplaats, maar wanneer hij daar een maal gepaaid had, bleek hij daar vervolgens wel jaarlijks naar terug te keren.

Noorse haring kiest nieuw wintergebied

Enkele jaren later deed zich op een paar duizend kilometer afstand van de Aberdeen Bank opnieuw een verschijnsel voor dat de hypothese van aangeboren migraties op losse schroeven zette. Ditmaal betrof het de keuze van een nieuw wintergebied door Noorse haring.

In de jaren 1950 en 1960 had de Noorse haring een vast wintergebied ten zuidoosten van IJsland. Vanuit dit gebied trok de vis in het voorjaar naar de Noorse kust om daar te paaien. Nadat de populatie in de 60-er jaren door zware overbevissing was gedecimeerd, stopte de vis met zijn oceanische migraties en bleef hij het gehele jaar in de buurt van de Noorse kust. Deze situatie duurde ongeveer 20 jaar. In 1983 werd er voor het eerst weer een sterke jaarklas geboren, en deze jaarklas werd door voedselgebrek in 1987 gedwongen om de oceanische migraties te hervatten. Aan het eind van dat jaar koos de jaarklas een tweetal fjorden in het noorden van Noorwegen, de Tysfjord en Ofotfjord, om er de winter door te brengen. In deze fjorden was nog nooit eerder overwinterende haring aangetroffen. Nadat de jaarklas begin 1988 weer naar de open oceaan was getrokken, verscheen de vis aan het eind van dat jaar opnieuw in de twee fjorden om er de winter door te brengen. Ditmaal betrof het niet alleen jaarklas 1983, maar ook de volgende generatie van jaarklas 1984. In de daaropvolgende 20 jaar bleef de haring iedere winter terugkeren in dezelfde fjorden. De toevallige keuze van een nieuw wintergebied door jaarklas 1983 was omgezet in een ´traditie´ die van generatie op generatie werd overgedragen.

Na deze merkwaardige verschijnselen ging er bij enkele onderzoekers eindelijk een lichtje branden dat het gedrag van de haring niet alleen een kwestie was van instinct, maar dat er ook sprake is van aangeleerd gedrag. Kennelijk kan een nieuwe jaarklas ´op goed geluk´ een nieuwe paaigrond of wintergebied kiezen. Vervolgens ontwikkelt deze jaarklas een gehechtheid aan dit gebied, en keert daar elk jaar weer terug. Hierbij wordt hij gevolgd door jongere haring, die op zijn beurt een gehechtheid ontwikkelt aan deze plaatsen. De ´gewoonte´ die de eerste jaarklas zich had aangeleerd, wordt doorgegeven aan volgende generaties, en verandert zo in een ´traditie´.

Revolutionaire theorie

In de 90-er jaren publiceerden enkele onderzoekers los van elkaar de hypothese dat migraties van haring voor een deel bestaan uit aangeleerd gedrag. Deze theorie was echter zó in strijd met het gangbare wetenschappelijke denken dat er nauwelijks aandacht aan werd besteed. Maar enkele jaren later liepen ook andere onderzoekers aan tegen het verschijnsel dat vispopulaties gedragingen vertoonden die niet te verklaren waren op grond van aangeboren gedrag, noch van een simpele reactie van de vis op hydrografische condities.

Geleidelijk begonnen meer onderzoekers warm te lopen voor het idee dat nieuwe jaarklassen de migratie routes van de oudere generaties kunnen leren door mee te zwemmen met een school oudere vissen. Er werd een Engelse naam bedacht voor dit verschijnsel: ´entrainment´, wat letterlijk ´op de trein stappen´ betekent. In het Nederlands zouden we het ´traditioneel gedrag´ kunnen noemen; daarmee aangevend dat de vis gewoontes overneemt van oudere generaties, en deze op zijn beurt weer doorgeeft aan de volgende lichting.

ICES-werkgroep

Afgelopen maand vergaderde een speciale ICES-werkgroep in Nantes (Frankrijk) om meer aanwijzingen te verzamelen voor de traditie theorie. Aan deze vergadering werd deelgenomen door onderzoekers uit Frankrijk, de Verenigde Staten, Canada, Zuid-Afrika en Nederland. Verschillende voorbeelden van onverklaard gedrag bij vissoorten werden onder de loep genomen, en het bleek dat in een aantal gevallen de nieuwe theorie goed in staat was om een afdoende verklaring te leveren. Zo kon het verdwijnen van blauwvintonijn uit de Noordzee verklaard worden door het uitroeien van een ´voedselpopulatie´ die vroeger in de zomer de Noordzee binnentrok. Hetzelfde gold voor de makreelpopulatie die vroeger in de noordelijke Noordzee paaide. Het niet terugkeren van kabeljauw bij Canada kon verklaard worden door uitroeiing van afzonderlijke paaipopulaties, net als we dat in het verleden bij Noordzeeharing gezien hadden.

Veel visbestanden bestaan blijkbaar uit een aantal afzonderlijke groepen die er aparte tradities op nahouden. Op deze wijze maakt het bestand gebruik van meerdere paaiplaatsen, voedsel- en wintergebieden, waardoor de mogelijkheden van het verspreidingsgebied maximaal benut worden. Vooral bij langlevende vissoorten waarbij meerdere leeftijdsgroepen in één school zwemmen, speelt de overdracht van gewoontes tussen opeenvolgende leeftijdsgroepen een rol. Waarschijnlijk vormt het doorgeven van tradities een wijdverbreid verschijnsel in het dierenrijk, en speelt het ook een rol bij vogels en zoogdieren.

Consequenties visserijbeheer

Op dit moment is het onderzoek naar tradities bij vis nog sterk in ontwikkeling en is het nog te vroeg om alle mogelijke consequenties voor het visserijbeheer te overzien. Maar één ding staat vast: we zullen in de toekomst meer rekening moeten houden met het bestaan van afzonderlijke groepen binnen één visbestand; groepen die er allemaal hun eigen gewoontes op nahouden, en die deze gewoontes doorgeven aan nieuwe generaties.

Wanneer we bepaalde groepen uitroeien, verminderen we het totale productiepotentieel van het bestand. Het verlies hoeft niet van blijvende aard te zijn; er kan door toeval binnen het grotere bestand weer een groep vissen opstaan (opduiken) die de oude paaiplaats of het oude wintergebied weer in gebruik neemt en de traditie herstelt.

Maar dit proces kan vele decennia duren. Een reden dus om bij beheersmaatregelen niet alleen te streven naar behoud van biodiversiteit, maar ook van culturele diversiteit binnen een bepaald visbestand.

(Klik op de afbeelding, voor een vergrote weergave)

Fig.1 Paaiplaatsen zuidelijke en centrale Noordzee vóór en na de sluiting van de haringvisserij. Elke stip geeft de positie aan van een monster kuitzieke haring verzameld door het RIVO.

Fig.2 Het herstel van de paaipopulatie op de Aberdeen Bank begin 80-er jaren, geïllustreerd aan de hand van larvenopnames door RIVO en andere instituten.

 
 
 
Banner
webadvertentie
 
Banner
webadvertentie
 

Biologen in de war geweest, haringstand blijkt veel groter:




Resultaten

<<  April 2010  >>
 ma  di  wo  do  vr  za  zo 
     1  2  3  4
  5  6  7  8  91011
12131415161718
19202122232425
2627282930  

Banner
webadvertentie
 
Banner
webadvertentie
 
Banner
webadvertentie
 
GBU grafici