|
RIJSWIJK - In het decembernummer van het door Sportvisserij Nederland uitgegeven blad Visionair zijn de resultaten gepresenteerd van een tweetal onderzoeken in Duitsland en Nederland naar het trekgedrag van vrouwelijke schieraal in het stroomgebied van de Rijn. Gesteld wordt wel dat ´vermoedelijk´ de visserij (beroeps en sport?) de belangrijkste oorzaak is voor het verlies van de gemerkte paling in Nederland. Arjan Heinen (adviseur visserijbeheer) geeft namens de Combinatie van Beroepsvissers commentaar op de conclusies die de onderzoekers hebben getrokken.
In het eerste onderzoek zijn schieralen bij Keulen voorzien van een transponder. Dit is een minizendertje dat een signaal afgeeft als een detectiestation wordt gepasseerd. Die detectiestations zijn speciale kabels die op de bodem van de grote rivieren van oever tot oever zijn gelegd. Sinds 2005 zijn er in totaal 457 in de Duitse Rijn of de Sieg uitgezet. Bij het tweede onderzoek werden schieralen met een lengte van minimaal een halve meter voorzien van een kleurmerk (blauwe stip). Deze gemerkte alen werden losgelaten in het Duitse deel van de Rijn, waarna werd bekeken hoe deze zich door het Nederlandse rivierengebied verplaatsten. De beroepsbinnenvisserij verenigd in de Combinatie van Beroepsvissers heeft actief bijgedragen aan dit onderzoeksproject. Beide onderzoeken hebben veel bruikbare informatie opgeleverd, zowel over het trekgedrag als over het aantal van de naar zee trekkende vrouwelijke schieralen. Transponderonderzoek In 2005 werden 157 schieralen in het Duitse deel van de Rijn gevangen. Deze vissen zijn via een operatie van een transponder voorzien. Daarna zijn de vissen weer in de Rijn teruggezet. Elke keer dat een schieraal met transponder een detectiekabel passeert wordt een signaal geregistreerd. Bijgaand kaartje laat zien hoe vaak een detectiesignaal van een schieraal op de verschillende riviergedeelten is geregistreerd. In bijgaand kaartje is te zien dat van de 157 schieralen met een transponder er in totaal 84 de Nederlands-Duitse grens hebben bereikt. De onderzoekers stellen dat de 73 alen die de Nederlandse grens niet hebben gehaald door allerlei oorzaken verdwenen kunnen zijn. Een gedeelte was wellicht niet schier genoeg en is in de anderhalf jaar dat de transponders actief zijn, niet gaan trekken. Een ander deel kan tijdens de operatie zodanig verwond zijn geraakt, dat zij aan hun verwonding zijn bezweken. Tenslotte kan ook een aantal alen gevangen zijn door beroepsvissers en door sportvissers. Zo is er bijvoorbeeld één transponder teruggemeld door een sportvisser in Duitsland die de aal met een dood visje als aas had gevangen. Van de 84 alen die de Nederlandse grens bereikten, is het nog maar de vraag of deze vissen gezond en wel in leven waren, of dat ze dood of ziek zijn geweest. De detectiestations meten namelijk geen verschil tussen een gezonde actief langszwemmende levende aal of een zieke of dode meedrijvende aal. Van de 84 alen die de Nederlandse grens bereikten, zijn er negen teruggemeld uit de IJssel bij Kampen, en 34 uit de Waal bij Gorinchem. Drie alen meldden zich bij Arnhem. De sluizen in de Rijn benedenstrooms van Arnhem waren in deze periode gesloten. Deze drie schieralen zijn weer omgekeerd, waarna zich er twee meldden bij Kampen, terwijl de derde zich meldde in de Waal. Raadselachtige verdwijning Gebleken is dat er tussen de Nederlands-Duitse grens en de eerste detectiestations in Nederland 44 schieralen verdwenen zijn. Dat is meer dan 50% van het aantal alen dat de grens is gepasseerd. Als verklaring voor deze verdwijning sluiten de onderzoekers waterkrachtcentrales en aalscholvers uit. Zo komen ze dan vervolgens uit op de visserij als oorzaak voor het verdwijnen van de schieralen. Zij doen daarbij geen uitspraak of het sportvisserij of beroepsvisserij betreft. Beroepsvisserij lijkt echter zeer onwaarschijnlijk, omdat de stroming in het gebied tussen de Nederlandse grens en de eerste detectiestations te hoog is om er met hokfuiken te vissen en te laag om met de ankerkuil te vissen. De beroepsvissers in dat gebied vissen wel met het elektrovisapparaat en met schietfuiken, maar bekend is dat deze vistuigen niet of weinig geschikt zijn om schieraal te vangen. Het lijkt echter ook onwaarschijnlijk dat 44 van de 84 schieralen door sportvissers gevangen zijn. Al met al dus geen goede verklaring voor het grote aantal verdwenen schieralen. Meer onduidelijkheid De onduidelijkheid wordt nog groter wanneer men de aantallen schieralen in het Benedenrivierengebied (benedenstrooms van Gorinchem) bekijkt. In dit gebied is de schieraalvisserij wel intensief. Onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) uit 2005 komt in dit gebied op een totale schieraalvangst van 120 ton (afkomstig van Rijn en Maas). Het is dan ook verbazingwekkend dat van de 34 gedetecteerde schieralen bij Gorinchem er 28 verderop opnieuw zijn waargenomen. Deze 28 alen zijn vervolgens verder stroomafwaarts nogmaals allemaal gedetecteerd. Van de 34 bij Gorinchem gedetecteerde alen zijn er vermoedelijk 6 via de Nieuwe Merwede in het Hollands Diep en Haringvliet terecht gekomen. Ook via de Dortse Kil (3) en het Spui (1) bereikten 4 schieralen het Hollands Diep en Haringvliet. Van deze 10 schieralen is er vervolgens geen enkele waargenomen bij het detectiestation aan de monding van het Haringvliet. Daar komt bij dat er uit dit gebied ook geen enkele transponder is teruggemeld door beroepsvissers of sportvissers. Alles overziende is het op zijn minst merkwaardig dat in het Benedenrivierengebied, met zijn relatief hoge visserij-inspanning met beroepsvistuigen, 32% van de schieralen is verdwenen, terwijl in het bovenstroomse gebied met lage visserij-inspanning meer dan 50% van de schieraal is verdwenen. Hoewel dat in de praktijk ongetwijfeld niet klopt, zou men op basis van deze gegevens haast gaan denken dat het ´verlies´ aan schieralen kleiner wordt als de visserijdruk toeneemt. Draagvlak Duidelijk is dat het transponder onderzoek meer inzicht geeft in de trekroutes en de zwemsnelheid van schieraal. De onderzoekers doen op basis van de onderzoeksresultaten echter ook uitspraken over het aantal naar zee trekkende schieralen en de sterfte die optreedt in het Nederlandse rivierengebied. Zo stellen zij onder meer: ”In totaal overleefde er slechts 18%”. En een paar regels verderop: “Visserij is daarom vermoedelijk de belangrijkste oorzaak van het verlies in Nederland”. De Combinatie van Beroepsvissers is van mening dat met dergelijke conclusies een foutief beeld van de werkelijkheid ontstaat. De Combinatie acht het dan ook beslist noodzakelijk dat eerst de genoemde onduidelijkheden opgelost worden, alvorens nieuw beleid met ondersteunende maatregelen voor het aalherstel wordt ontwikkeld. Gebeurt dat niet, dan zal nieuw beleid voor het aalherstel omgeven blijven met een zweem van vragen en onduidelijkheden. Het behoeft weinig betoog dat dergelijk beleid niet op veel draagvlak bij de beroepsvisserij kan rekenen. Onderzoek met kleurmerken {mosimage}Het onderzoek met transponders is niet het enige onderzoek dat met schieraal werd gedaan. De onderzoekers hebben de trek van schieraal ook onderzocht door in Duitsland gevangen alen te merken met een blauwe stip. Zowel in 2004 als in 2005 werd zo’n kleurmerk bij 3.000 grote vrouwelijke schieralen aangebracht. Vervolgens werd bij beroepsvissers in het Benedenrivierengebied nagegaan hoeveel van deze schieralen zij gevangen hadden. Daarbij werden jaarlijks bij de beroepsvissers circa 5.000 grote vrouwelijke schieralen onderzocht. Daartussen zaten er in totaal 6 met een blauwe stip. Van belang bij dit onderzoek is dat bij het bemonsteren van de vangsten bij de beroepsvissers volledig is voldaan aan de door de STOWA opgestelde eisen. De onderzoekers hebben daarbij een correctie toegepast voor het feit dat van alle in Duitsland gemerkte schieralen een deel niet naar zee is gaan trekken en een ander deel niet naar het Benedenrivierengebied, maar naar de IJssel is getrokken. Daar heeft geen controle op kleurmerken plaatsgevonden. Na deze correcties komen de onderzoekers uit op een schatting van het gehele uittrekkende schieraal-bestand in het Rijnstroomgebied exclusief IJssel en IJsselmeer van 348 ton in 2004 en 730 ton in 2005. Bij een gewicht van ca. 1 kg per stuk gaat het dan gemiddeld om een bestand van 500.000 vrouwelijke schieralen. Dat is vergelijkbaar met schattingen van Franse onderzoekers die de stand aan uittrekkende grote vrouwelijke schieralen in de rivier de Loire schatten op ongeveer 800.000 stuks. Europese paaipopulatie Als alleen al in de Rijn en de Loire zo veel schieraal aanwezig is, rijst de vraag hoe het mogelijk is dat er nu zo weinig glasaal voor de Europese kusten verschijnt? De ICES, het wetenschappelijke adviesorgaan van de Europese Commissie, gaat er in zijn berekeningen van uit dat een goed paaibestand voor heel Europa in totaal ca. 3.000 ton mannelijke en vrouwelijke schieralen zou moeten omvatten. Een dergelijk paaibestand leverde ooit de grote hoeveelheden glasaal op die tot in de jaren zeventig voor de Europese kusten gevonden werden. We weten dus nu dat alleen al de Loire en de Rijn anno 2007 goed zijn voor meer dan 1.000 ton vrouwelijke schieralen. Ook is bekend dat het stroomgebied van deze beide rivieren hooguit 10% omvat van het totale leefgebied van de Europese aal. Dat gebied strekt zich uit van de delta van de Nijl in de Middellandse Zee tot aan riviertjes in IJsland. Deze gegevens tonen aan dat een voorzichtige schatting van de totale Europese schieraal-populatie anno 2007 uitkomt op minstens 10 miljoen exemplaren. Wellicht dan ook dat de verklaring in de afname van de glasaalintrek sinds 1980 niet zozeer in de hoeveelheid schieraal ligt, maar dat er andere oorzaken in het spel zijn. Andere oorzaken Als mogelijke andere oorzaken die geleid hebben tot een afname van de hoeveelheid glasaal valt te denken aan de kwaliteit en de conditie van de uittrekkende schieralen als gevolg van vervuiling door PCB’s en dioxinen. Onderzoek aan de universiteit van Leiden heeft aangetoond dat het voortplantingsresultaat van schieraal die deze stoffen in het lichaam heeft dramatisch afneemt. Ook de nadelige gevolgen van infectie met de zwemblaasparasiet (na 1980) lijken in dit verband relevant. Van belang is dat de zwemblaasparasiet op termijn het lichaam van de aal weer kan verlaten, maar dat de kwaliteit van de zwemblaas door de vorming van bindweefsel sterk achteruit gaat. Een goede conditie van de zwemblaas is voor schieraal cruciaal om de lange paaitocht naar de Sargassozee te volbrengen. Zowel verontreinigende stoffen als de gevolgen van de zwemblaasparasiet zouden wel eens kritische succesfactoren kunnen zijn bij het herstel van de Europese aal. Het is daarom verheugend dat de aalbiologen verenigd in de ICES hebben voorgesteld om een Kwaliteits Database voor Schieraal op te zetten. Met een dergelijke database kan meer duidelijk worden waar in Europa schieraal aanwezig is met weinig vervuilende stoffen en met weinig infectie door de zwemblaasparasiet. Die schieraal kan maximaal bijdragen aan een succesvol voortplantingsresultaat. Daarmee zouden essentiële bouwstenen beschikbaar komen voor een succesvol herstelplan voor de Europese Aal.
|