Resultaten maaswijdteproject: verlies tong, maar geen vermindering discards schol bij grotere maaswi
|
Geen voordeel bij 90 mm maaswijdte |
|
vrijdag, 20 juni 2008 |
|
IJMUIDEN – Verruiming van de minimum maaswijdte in de boomkorvisserij leidt er niet toe dat er minder scholdiscards gevangen worden, terwijl wel maatse tong verloren gaat. Het maaswijdteproject laat dat duidelijk zien, aldus Fenneke Tjallingii (PVis) en Floor Quirijns (Wageningen IMARES).
In 2006 en 2007 hebben zes boomkorschepen in vier kwartalen en vijf gebieden metingen gedaan voor het maaswijdteproject. Het verschil in aantallen tong en schol per grootteklasse werd gemeten bij 70, 80 en 90 mm maaswijdte. In juni was de laatste meetweek. Het eindraport is deze maand door Wageningen IMARES aan het Productschap Vis als opdrachtgever aangeboden.
Naar aanleiding van discussies over het verhogen van de minimum maaswijdte in de boomkorvisserij van 80 naar 90 mm, is het Productschap Vis in samenwerking met Wageningen IMARES het maaswijdteonderzoek gestart. Met dit onderzoek wilde de sector aantonen dat een verhoging van de maaswijdte naar 90 mm zou leiden tot verlies van maatse tong, terwijl de scholdiscards niet noemenswaardig zouden afnemen.
De vangstsamenstelling in een visserij is voor een deel afhankelijk van de maaswijdte, maar voor een ander deel van de lokale beschikbaarheid van vis en de groottesamenstelling van die vis. De groottesamenstelling van de vis en de hoeveelheid vis is weer sterk afhankelijk van de visserijdruk die op de populatie wordt uitgeoefend. De uitkomsten van dit onderzoek laten zien hoe de maaswijdte een effect heeft op de vangstsamenstelling in de huidige situatie, bij de huidige visserijdruk.
Uit de analyses bleek dat met 90 mm minder tongslips I en II (24-30 cm) worden gevangen dan met 80 mm (zie figuur 1). Daarnaast worden met 90 mm ook minder tongdiscards (21-24 cm) gevangen. Zowel de scholdiscards als de scholaanlandingen blijven gelijk bij het verhogen van de maaswijdte van 80 naar 90 mm (zie figuur 1). Naast het vergelijken van de vangstsamenstelling, zijn ook analyses gedaan om de selectiviteitsparameters voor tong en schol te toetsen. Selectiviteitsparameters zijn parameters die informatie geven over de lengte van de vis waarbij deze in het net met een bepaalde maaswijdte blijft hangen. De parameters zijn verschillend voor elke vissoort. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt in theoretische studies, waarbij effecten van maaswijdteveranderingen worden doorgerekend; of bij het reconstrueren van historische discardsgegevens. Ander netmateriaal en een andere wijze van vissen kan zorgen voor andere selectiviteitsparameters. Helaas was het met de gegevens die zijn verzameld niet mogelijk de selectiefactoren zoals ze nu gebruikt worden te toetsen, doordat de aantallen kleine vissen in de verschillende maaswijdtes te dicht bij elkaar lagen. De uitkomsten van dit onderzoek zullen door de sectorvertegenwoordigers worden gebruikt in verdere internationale discussies over het veilig stellen van de tongvisserij, in relatie tot scholdiscards. Dankzij de praktijkgegevens die in de maaswijdteproef worden verzameld zal er een stevigere basis voor deze discussie beschikbaar zijn.
Figuur 1. Relatief aantal per hectare, uitgedrukt in percentages, voor tong (boven) en schol (onder). De aantallen per hectare gevangen met 80 mm zijn op 100% gesteld, voor 70 en 90 mm zijn de aantallen per hectare uitgedrukt in percentage ten opzichte van de waarde bij 80 mm. Het verschil ten opzichte van de waarde bij 80 mm is significant als er een sterretje (*) bij staat.
|
| |