|
WASSENAAR - In opdracht van het Productschap Vis heeft Wageningen IMARES de discardsgegevens geanalyseerd die door de kottersector in 2004, 2005 en 2006 zijn verzameld. Het blijkt dat de sectorgegevens significant verschillen met de gegevens die IMARES verzamelt tijdens zijn discardsreizen aan boord van visserijschepen. Fenneke Tjallingii van het Productschap Vis bericht over de resultaten.
Sinds 2004 zijn er door 29 schepen meer dan 1.500 waarnemingen gedaan aan scholdiscards. Als alle gegevens bij elkaar worden genomen, dan zijn de totale gemiddelde discardspercentages (in volume) zoals ze door de sector verzameld zijn voor 2004: 29%; voor 2005: 28% en voor 2006: 39%. De beperkte reizen die IMARES maakt aan boord van commerciële vissersschepen leverden die jaren respectievelijk 35% (2004), 44% (2005) en 55% (2006) discards op. De gegevens van schol zijn geanalyseerd in een statistisch model. Hiermee is onderzocht wat het effect is van verschillende factoren op het discardspercentage. De drie factoren met de meeste invloed zijn het gebied waar gevist wordt, de periode van het jaar waarin gevist wordt en het aantal wekkers waarmee gevist wordt. De maaswijdte kan echter niet los worden gezien van het gebied (in de zuid nauwere mazen dan in de noord). Omdat het model hier geen onderscheid in kan maken, wil het niet zeggen dat deze andere factoren niet belangrijk zijn.
Het model laat zien dat de discardspercentages in de vangst kleiner worden, wanneer verder uit de kust wordt gevist (figuur 1). Opvallend is dat de percentages ook lager zijn ten zuidwesten van de provincie Zeeland. Ook is er een duidelijk seizoenspatroon van hoge discardspercentages in september en lage percentages in december (figuur 2). Deze modeluitkomst wordt bevestigd door waarnemingen van vissers.
Als de genoemde gemiddelde percentages voor schol van de sector en van IMARES worden gecorrigeerd voor deze ruimtelijke en seizoenspatronen en voor het gebruikte vistuig, verschillen ze nog steeds substantieel van elkaar. De IMARES-uitkomsten blijven hoger dan die van de sector. De wetenschappers van IMARES hebben op diverse manieren geprobeerd te achterhalen waar dit verschil door komt. De indruk is dat het verschil zit in de werkmethodes van IMARES en van de sector aan boord.
Uit lengtegegevens blijkt dat in vergelijking met de IMARES-gegevens, de sector veel van de 0- en 1-jarige schol mist in de bemonstering. Dit zou kunnen leiden tot de lagere totale gemiddelde percentages. Door IMARES-opstappers mee te laten gaan aan boord van deelnemers en de discards volgens beide methoden te monsteren kunnen de werkmethodes vergeleken worden en uitgezocht worden wat de verschillen precies veroorzaakt.
Kabeljauw Voor kabeljauw is slechts een beperkt aantal gegevens verzameld en teruggestuurd. Waarschijnlijk worden vangsten met weinig of geen (ondermaatse) kabeljauw niet geregistreerd. Omdat er maar weinig gegevens waren, heeft IMARES op verschillende manieren geprobeerd het percentage discards te berekenen. De gegevens gebaseerd op gewicht leverden een discardspercentage op van 6,5%, op basis van de metingen die in liters (volume) zijn gedaan 7,4% en op basis van de lengtemetingen bleek 18,3% van de gevangen kabeljauw overboord te gaan. Hier zit veel verschil tussen en is, mede vanwege de beperkte gegevens, alleen een eerste indicatie van de kabeljauwbijvangst. Willen we met zekerheid meer kunnen zeggen over kabeljauw, dan zullen er echt meer gegevens verzameld moeten worden. Dit is heel belangrijk vanwege het kabeljauwbeheerplan (met de zeedagenregeling) dat nog altijd van kracht is.
Conclusies Het rapport concludeert dat de sectorgegevens belangrijk inzicht geven in de discardspercentages van schol en (in mindere mate) kabeljauw en welke factoren de percentages beïnvloeden. De gevonden verschillen tussen de sector en het IMARES-bemonsteringsprogramma zijn aanleiding tot een kritische evaluatie van de beide onderzoeksprogramma’s. De sectorgegevens zijn hierbij een referentiepunt waaraan de (IMARES) reguliere discardsgegevens geijkt en getoetst kunnen worden. De deelnemers en de IMARES-opstappers zullen binnenkort samenkomen om de bemonsteringsmethodes onder de loep te nemen. Als duidelijk is wat de verschillen veroorzaakt en ze verholpen zijn, dan kunnen de sectorgegevens ook in de toestandsbeoordelingen en in het internationale visserijbeheer gebruikt worden.
Visserijbeheerders hebben erg veel interesse in ons onderzoek. Zo zijn de gegevens onlangs besproken in een bijeenkomst van de STECF, de visserijadviesraad van de Europese Commissie over wetenschappelijke, technische en economische aspecten. De wetenschappers vonden het sectoronderzoek zeer waardevol. Het Productschap Vis heeft op 22 januari een bijeenkomst met de Europese Commissie om de resultaten te bespreken. Ook worden ze op de Noordzee-RAC gepresenteerd.
Het is belangrijk dat er correcte cijfers over discards beschikbaar zijn, voor het visserijbeheer, maar ook in bijvoorbeeld de discussies rondom certificering. Eigenlijk zou iedere visserman hier gegevens voor moeten aanleveren, en zich niet moeten verschuilen achter de informatie die de deelnemers elke week weer verzamelen.
Het Kotteroverleg feliciteert alle schippers en bemanning die tijd vrijmaken om discardsgegevens te verzamelen en roept alle andere schepen op zich bij hun PO aan te melden. Een bijzondere felicitatie gaat uit naar de bemanning van de UK 45 die als zeer trouwe deelnemer aan alle projecten waarin vissers gegevens over de bestanden verzamelen, gehuldigd is met een nominatie voor de Verantwoorde Vis Prijs voor zijn inzet.
|