|
RIJSWIJK - De rapporten van IMARES en Visadvies zijn ontoereikend om het op te stellen Nederlands Beheerplan Aal te kunnen onderbouwen. De Combinatie van Beroepsvissers (CvB) vindt dat met name het IMARES-rapport grote omissies vertoont, en dat de totstandkoming van regionale beheerplannen en een Nederlands Beheerplan Aal daardoor ernstige vertraging dreigen op te lopen. Het bestuur van de CvB heeft deze standpunten, die onderstaand worden toegelicht, kenbaar gemaakt aan het ministerie van LNV.
De Europese Commissie heeft vorig jaar de EU-lidstaten opgedragen voor het eind van dit jaar een beheerplan voor aal op te stellen. Als voorbereiding op het Nederlandse aalplan heeft het ministerie van LNV aan IMARES en Visadvies BV opdracht gegeven de mogelijkheden voor aalherstel te onderzoeken. De leden van de CvB hebben groot belang bij een snel herstel van de aalstand in Nederland. De twee proefprojecten voor aalbeheer die momenteel worden uitgevoerd in Rijnland en de Randmeren, laten zien dat beroepsvissers actief en creatief met het aalbeheer verder willen. Tegen deze achtergrond heeft het bestuur van de CvB het IMARES-rapport ´Duurzaam beheer van de aal in Nederland´ en het door Visadvies BV opgestelde rapport ´Bouwstenen voor een beheerplan´ beoordeeld. Centraal in het IMARES-rapport staat de modelmatige onderbouwing voor een natuurlijke situatie voor de aalstand. Dit is de situatie waarin geen visserij plaats zou vinden en waarin de aal zonder barrières het binnenwater in en uit kan trekken. Narekenen van het model leidt tot de verbijsterende conclusie dat het bestand aan vrouwelijke rode aal in een natuurlijke situatie bijna 35 ton per 100 hectare zou moeten bedragen, ofwel 349 kilo per hectare. Gepaard daaraan zou dan de jaarlijkse uittrek van vrouwelijke schieraal bijna 14 kilo per hectare moeten bedragen. Daarbij moeten dan de mannelijke alen - en dat zijn in een natuurlijke situatie in de nabijheid van de Noordzee veel grotere aantallen dan vrouwelijke alen – nog worden opgeteld. De CvB acht deze uitkomst voor een natuurlijke situatie dermate ongeloofwaardig dat daarmee het hele model en de daaraan ontleende conclusies op losse schroeven komt te staan. Als uitgangspunt voor de natuurlijke situatie voor de aalstand gebruikt het IMARES-rapport de gegevens van het IJsselmeer. Gesteld wordt dat de hoeveelheid jaarlijks uittrekkende schieraal naar schatting 700 ton vrouwtjes en 7.000 ton mannetjes dient te zijn. Omgerekend komt dit uit op 42 kilo per hectare per jaar. Deze hoeveelheid moet als onwaarschijnlijk hoog worden gekwalificeerd. De aantallen staan ook in schril contrast met de aantallen en hoeveelheden waarop de Kaderrichtlijn Water (KRW) is gebaseerd. In de zogenoemde maatlatten die voor de KRW door wetenschappers en adviesbureaus zijn opgesteld, wordt voor veel Nederlandse wateren de totale visbezetting op 50 tot 250 kilo vis per hectare gesteld. Tegen deze achtergrond kunnen de getallen die IMARES hanteert voor de natuurlijke situatie van de aalstand niet anders dan als onrealistisch worden gekwalificeerd. De overschatting bedraagt hier minstens een factor 10. Daarnaast is te betwijfelen of de door IMARES genoemde sex-ratio (verhouding tussen aantallen mannetjes en vrouwtjes) juist is. Omgerekend in aantallen zou dit immers betekenen dat er op het moment van uittrek 50 tot 80 keer zo veel mannetjes als vrouwtjes uittrekken (een vrouwtje is vijf tot acht maal zwaarder). Wederom een niet aannemelijk gegeven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het gebruik van het model en het rekenwerk aan het IJsselmeer als leidraad voor een Nederlands Beheerplan Aal tot onjuiste uitkomsten zal leiden. De CvB onderschrijft dat de afweging van maatregelen voor het herstel van de aal zoveel mogelijk via een simpel model dient te verlopen. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat dit model leidt tot realistische bestanden en realistische hoeveelheden uittrekkende schieralen. Om die reden adviseert de CvB met klem het door IMARES gebruikte model door onafhankelijke populatiebiologen en/of KRW-ecologen te laten doorrekenen. De CvB meent dat in een dergelijk model ook de hoeveelheden mannelijke aal een plaats dienen te krijgen, omdat die deel uitmaken van de totale bestanden en dus ook vertegenwoordigd zijn in de visserij. Aanpassing
Het IMARES-rapport spreekt zich in het algemeen weinig uit over het waarom van de gemaakte keuzen. Er wordt via het gebruikte model slechts inzichtelijk gemaakt dat (afhankelijk van variabelen in de visserij) de uittrek aan vrouwelijke schieraal momenteel slechts 0,5 tot 2,5% t.o.v. de veronderstelde natuurlijke situatie bedraagt. Indien echter wordt uitgegaan van de meer reële natuurlijke situatie – dus correctie met minstens een factor 10 - dan worden ook andere conclusies mogelijk. Zo kunnen bijvoorbeeld ook de fysieke barrières bij de intrek van glasaal en bij de uittrek van schieraal in beeld komen. Hetzelfde geldt voor de gezondheidstoestand van de uittrekkende schieraal. Oplossingen voor deze problemen zijn te vinden in het wegnemen van de barrières en de verplaatsing van aal door menselijk ingrijpen. Het eerste is beleidsmatig al voorbereid maar vraagt grote investeringen, waardoor de uitvoering vele jaren zal vergen. Het verplaatsen van aal door menselijk ingrijpen is echter per direct realiseerbaar. Van belang hierbij is dat de beroepsvissers in staat en bereid zijn om dit uit te voeren zolang die barrières bestaan. De hier genoemde maatregelen zullen volgens de CvB (in modelvorm) een plaats in de onderbouwing dienen te krijgen. Op basis van het voorgaande geeft de CvB de volgende aanbevelingen voor het aalbeheer op nationaal en op Europees niveau: - Een meer realistische onderbouwing voor de natuurlijke situatie dan in het IMARES-rapport is onmisbaar voor verdere planvorming - Onderzoek welk deel van het totale wateroppervlak in Nederland bereikbaar en geschikt is voor productie van gezonde, niet vervuilde, aal die vervolgens ook kan uittrekken - Onderzoek de reproductiemogelijkheden van aal in relatie tot de kwaliteit van de uittrekkende schieraal - Kwantificeer de hoeveelheden uittrekkende schieraal middels merk/terugvang experimenten - Betrek in het model gebiedsspecifieke factoren, zoals de voedselrijkdom van de diverse leefgebieden (IJsselmeer, rivieren, plassen, boezemwateren en polders) en betrek daarin ook variabele hoeveelheden glasaal - Geef een signaal aan de EU dat de sanering van waterbodems op korte termijn essentieel is voor het voortbestaan van de aal.
De rapporten van IMARES en van Visadvies zouden de basis moeten vormen voor de onderbouwing van het Nederlands Beheerplan Aal. De CvB is evenwel van mening dat met name het IMARES-rapport dermate grote omissies vertoont dat dit in zijn huidige vorm daarvoor ontoereikend is. De totstandkoming van regionale beheerplannen en een Nederlands Beheerplan Aal dreigen daardoor ernstige vertraging op te lopen. De tijd dringt echter. Willen we voor het eind van dit jaar beschikken over een voor de EU acceptabel Nederlands Beheerplan Aal dan zal immers op korte termijn – liefst in VBC-verband (Visserij Beheer Commissie)- gestart moeten worden. Daarom pleit de CvB voor: - ontwikkeling van pragmatische richtlijnen waarmee de visserijsector in VBC-verband het aalbeheerplan voor het eigen gebied kan implementeren. Het uitgangspunt moet zijn: gebiedspecifieke maatregelen (inclusief de uitzet van glasaal en pootaal) met een toetsbaar effect op de uittrekkende schieraal (kwantitatief en kwalitatief) - per direct starten van een communicatietraject over aalbeheer naar VBC’s - facilitering van VBC’s bij het ontwikkelen van het door hen te voeren aalbeheer. - ontwikkeling van een procedure om regionale aalbeheerplannen in te passen in een Nederlands Beheerplan Aal.
Het bestuur van de CvB en de aangesloten leden geven graag hun medewerking aan een goede onderbouwing van het aalbeheer in Nederland. Dat kunnen zij echter niet alleen. Ook watereigenaren, waterbeheerders en sportvisserijorganisaties dienen daar aan bij te dragen. Graag had de CvB Voorzorgsprincipe
Een extra aandachtspunt voor aanpassing van het IMARES-model is dat de sex-ratios van aal hoogstwaarschijnlijk afhankelijk zijn van de dichtheid van het aalbestand en dus beïnvloed worden door de uitzet van (glas)aal en de visserij. Dit dient derhalve eveneens in het model ingepast te worden. De CvB heeft echter geconstateerd dat in het IMARES-rapport dichtheidsafhankelijkheid vanuit het voorzorgsprincipe niet wordt meegenomen. Dit acht de CvB een politiek gekleurd uitgangspunt dat niet in een wetenschappelijke onderbouwing thuishoort. Opmerkelijk is overigens wel dat de afzonderlijke rapporten van IMARES en Visadvies elkaar hierin tegenspreken, omdat het rapport van Visadvies de dichtheidsafhankelijkheid van sex-ratio bij aal wel noemt. Ten aanzien van het voorzorgsprincipe heeft de CvB verder geconstateerd dat dit in het IMARES-rapport niet consequent wordt toegepast. Zo gaat het rapport niet in op de invloed van vervuilende stoffen (zoals PCB’s en dioxines) op de voortplanting van de aal. Hetzelfde geldt voor de invloed van parasieten en migratiebelemmeringen. Dit terwijl er door de EU en in de wetenschappeljke adviezen van de EIFAC en de ICES sterk op wordt aangedrongen om dergelijke factoren wel mee te wegen.
|