RIJSWIJK – Er gaat aanzienlijk minder ondermaatse schol overboord dan tot nu toe door de wetenschappers steeds is aangenomen. Dat blijkt uit eigen onderzoek van de visserijsector, waarbij vissers tweemaal in de week uit een trek met een mand een monster nemen en de liters maatse en ondermaatse schol noteren. Die gegevens worden anoniem geanalyseerd door IMARES. Coördinator Fenneke Tjallingii-Brocken van het Productschap Vis zet de resultaten van het onderzoek op een rijtje. De resultaten zijn belangrijk voor een gezonde discussie over het platvisbeheer.
De Nederlandse visserijsector startte in 2004 met een eigen onderzoek naar deze discards als onderdeel van eigen activiteiten gericht op een verantwoordelijk beheer van de visbestanden. De relatief hoge discards van schol in de gemengde visserij op platvis is een belangrijk punt in de Europese discussie over platvisbeheer. Volgens de vissers is er echter sprake van een vertekend beeld. Met hun discardsonderzoek willen zij bijdragen aan het verbeteren van de wetenschappelijke inzichten over het scholbestand en het nemen van onderbouwde en gerichte maatregelen om de druk op het jonge scholbestand te verminderen.
Een deel van het scholbestand in de Noordzee wordt gevist in de gemengde visserij op schol en tong. De minimummaat voor de mazen is 80 mm. Dit is de maaswijdte die hoort bij de minimummaat van tong, het commercieel belangrijkste visbestand voor de boomkorvloot. Omdat schol een andere minimummaat heeft en zich bovendien niet zo gemakkelijk kan ‘opvouwen’ als de slanke, flexibele tong, betekent dit dat een deel van de ondermaatse schol niet tijdig kan ontsnappen uit de netten en na de vangst overboord wordt gezet (gediscard).
Eigen onderzoek vissers
Elk jaar maken de internationale visserijbiologen (ICES) een beoordeling van de omvang van de visbestanden in de Noordzee. Voor een goede beoordeling is het belangrijk te weten welk deel van het visbestand tijdens de vangst overboord is gezet. Het onderzoek dat de biologen hieraan doen, bestaat in Nederland in totaal uit tien visreizen van een week. De Nederlandse gegevens voor schol worden vervolgens vertaald naar alle scholvisserij in de Noordzee. ICES gaat er in hun meest recente bestandsschatting vanuit dat in 2004 en 2005 gemiddeld 45% van de schol (in volume) overboord gaat.
Volgens de Noordzeevissers komen deze discardsschattingen van de biologen echter niet overeen met de werkelijkheid. Tien visreizen geven namelijk maar een beperkt beeld van een totale kottervloot die met zo’n 280 schepen verspreid over de hele Noordzee gedurende het jaar afwisselend of volledig (125 schepen) op platvis vist. Bovendien wordt een groot deel van het bestand bevist door gerichte scholvissers, die veel grotere mazen gebruiken en daardoor nauwelijks discarden.
De hoge discardspercentages die de biologen hanteren, vormen een belangrijke reden voor de Europese Commissie om de Noordzeevisserij op platvis steeds verder te beperken. De Nederlandse visserij heeft daarom als onderdeel van zijn eigen plan van aanpak voor een verantwoord platvisbeheer in 2004 een eigen onderzoek opgestart.
De opzet voor het onderzoek is in samenwerking met het Nederlandse visserijonderzoeksinstituut IMARES gemaakt. Een twintigtal vissers bemonstert sinds het 4e kwartaal van 2004 elke week op dinsdag en op donderdag de vangst van de trek van 16.00 uur op ondermaatse schol. Hierdoor ontstaat er een groot aantal waarnemingen, verspreid in de tijd over de hele Noordzee en voor verschillende soorten platvisvisserij.
Uit een analyse van de gegevens tot en met december 2005 blijkt dat de onderzoeksopzet tot statistisch representatieve resultaten leidt. De sectorreizen laten zien dat de gemiddelde scholdiscards in volume 28 procent bedragen, terwijl deze uit het wetenschappelijke programma (10 reizen) voor dezelfde periode 37 procent zijn. Als de sectorreizen en de wetenschappelijke reizen samen worden genomen, dan levert dit een beeld van gemiddeld 31% scholdiscards in volume op. Dit is beduidend minder dan de percentages die door ICES in de bestandsschattingen worden gebruikt (45 procent in volume).
Een andere belangrijke conclusie uit de analyse is dat het programma van de sector een veel gedetailleerder beeld geeft van de trends in discards in tijd en ruimte en de verschillen tussen de diverse vistuigen dan het wetenschappelijke onderzoeksprogramma kan bereiken. Het onderzoek van de vissers biedt in de toekomst mogelijkheden om gerichte beheermaatregelen te nemen.
Het discardsonderzoek door de vissers is op eigen initiatief vanaf 2006 uitgebreid met kabeljauw. Deze onderzoeksgegevens over 2006 moeten nog worden geanalyseerd.
Maatregelen vissers
,,De belangrijkste conclusie uit ons eigen onderzoek is dat het de gegevens over de scholdiscards die de discussies in Europa bepalen, sterk nuanceert. Het onderzoek draagt absoluut bij aan een betere beeldvorming door de biologen, beleidsmakers en NGO’s. We hopen dan ook dat ook in deze zware economische tijden voor onze vloot, de vissers gemotiveerd blijven om mee te doen´´, aldus de voorzitter van het Kotteroverleg, Ben Daalder.
,,Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat we een discardspercentage van 31% in volume nog steeds als te hoog ervaren, zeker in een situatie waarin het scholbestand zich op een minder hoog niveau bevindt dan in de voedselrijke jaren ’80. In het kader van onze eigen verantwoordelijkheid in het proces naar een verantwoorde visserij zal het verminderen van de visserijdruk op jonge schol daarom voor ons vissers een prioriteit blijven.´´
|